
De Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Personenbelasting publiceerde op 06/01/2026 de Circulaire 2026/C/6 over de bevriezing van de indexering van fiscale uitgaven.
Bespreking van de art. 42 t.e.m. 44, van de wet van 18.12.2025 houdende diverse bepalingen (BS 30.12.2025 – Numac: 2025009647).
Inhoudstafel
B. Bijzonder geval van het pensioensparen
1. Deze circulaire bespreekt de wijzigingen die door de art. 42 t.e.m. 44, van de wet van 18.12.2025 houdende diverse bepalingen (1) werden aangebracht aan de jaarlijkse indexering van bepaalde fiscale uitgaven.
(1) Wet van 18.12.2025 houdende diverse bepalingen (BS 30.12.2025 – Numac: 2025009647) (hierna W 18.12.2025).
2. De jaarlijkse automatische indexering wordt voor bepaalde fiscale uitgaven tijdelijk bevroren. De geïndexeerde bedragen van aanslagjaar 2025 worden behouden voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2030, met een uitzondering voor de betalingen voor pensioensparen die voor aanslagjaar 2026 nog worden geïndexeerd en pas worden bevroren vanaf aanslagjaar 2027.
De coëfficiënt die moet worden toegepast voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2030 is gelijk aan 1,6325, behalve voor de bedragen inzake het pensioensparen, waarvoor de coëfficiënt 1,6837 bedraagt.
Vanaf aanslagjaar 2031 zullen de bedoelde bedragen opnieuw worden geïndexeerd, zonder echter de bevriezing voor de aanslagjaren 2026-2030 in te halen.
3. Daarnaast wordt voor het aanslagjaar 2026 het bedrag van de vrijstelling van de vergoedingen voor het woon-werkverkeer met een ander vervoermiddel dan het openbaar gemeenschappelijk vervoer of het gemeenschappelijk vervoer georganiseerd door de werkgever éénmalig niet geïndexeerd, zonder deze nadien in te halen.
4. Tenslotte wordt het maximumbedrag van het belastingkrediet voor kinderen ten laste permanent bevroren op het bedrag dat van toepassing is voor aanslagjaar 2025, zijnde 550 euro.
5. De bedragen waarop de bevriezing van de indexering van toepassing is, zijn dezelfde bedragen als die waarvoor de indexering werd bevroren voor de aanslagjaren 2021 tot en met 2024.
6. Het gaat om de bedragen inzake:
- de vrijgestelde eerste schijf van inkomsten uit spaardeposito's, van dividenden, van intresten van erkende sociale ondernemingen en het bedrag van de leningen via een crowdfundingplatform waarvan de interesten zijn vrijgesteld (2)
- de fiscale korf voor de belastingvermindering voor het federale lange termijnsparen (3)
- de belastingverminderingen voor de verwerving van werkgeversaandelen (4) en voor het pensioensparen (5)
- de belastingvermindering voor giften (6)
(2) Art. 21, eerste lid, 5°, 10°, 13° en 14°, en art. 185, § 1, WIB 92.
(3) Art. 1456, WIB 92.
(4) Art. 1457, § 1, vierde lid, WIB 92.
(5) Art. 1458, § 1, tweede en derde lid, WIB 92.
(6) Art. 14533, § 1, tweede en vierde lid, WIB 92.
7. De bedragen inzake het pensioensparen worden voor aanslagjaar 2026 wel nog geïndexeerd. Op die manier wordt vermeden dat pensioenspaarders die in 2025 al 1.050 euro hebben gespaard nog slechts aanspraak zouden kunnen maken op een belastingvermindering van 25 % in plaats van 30 % en dat voor pensioenspaarders die in 2025 al meer dan 1.350 euro hebben gespaard, een beperkt bedrag (maximum 40 euro) zou moeten worden overgedragen naar het volgende jaar.
8. De bevriezing van de indexering zal gebeuren vanaf aanslagjaar 2027. De geïndexeerde grensbedragen van de betalingen voor het pensioensparen voor aanslagjaar 2026 zullen dus ook van toepassing zijn voor de aanslagjaren 2027 tot 2030, nl.:
- 1.050 euro (basisbedrag: 625 euro) (7)
- 1.350 euro (basisbedrag: 800 euro) (8)
- 1.680 euro (9) (basisbedrag: 1.000 euro) (10).
(7) Art. 1458, § 1, tweede lid, WIB 92 en art. 634bis, KB/WIB 92.
(8) Art. 1458, § 1, derde lid, WIB 92.
(9) Maximumbedrag van de aan de Koning verleende mogelijkheid om, bij in Ministerraad overlegd besluit, de grens van de beperking te verhogen.
(10) Art. 1458, § 1, tweede lid, WIB 92.
9. Het bedrag van de vrijstelling van de vergoedingen door de werkgever toegekend als terugbetaling of betaling van reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling, voor zover de werknemer de verplaatsing maakt met een ander vervoermiddel dan het openbaar gemeenschappelijk vervoer of het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer voor personeelsleden (11), wordt éénmalig niet geïndexeerd voor het aanslagjaar 2026.
(11) Art. 38, § 1, eerste lid, 9°, c, WIB 92.
10. Deze éénmalige niet-indexering wordt nadien niet ingehaald.
11. Het maximumbedrag van het belastingkrediet voor kinderen ten laste wordt permanent bevroren op het bedrag dat van toepassing is voor aanslagjaar 2025, zijnde 550 euro (12).
(12) Dit bedrag wordt ingeschreven in art. 134, § 3, tweede lid, eerste streepje, WIB 92. De niet-indexering ervan wordt geregeld in art. 178, § 5, 3°/1, WIB 92.
12. Geen enkel ander artikel van het WIB 92 wordt door deze maatregel getroffen.
De jaarlijkse indexering van de bedragen bedoeld in de art. 147, 151 tot 152 en 154, WIB 92 (13) is uitdrukkelijk voorzien (14).
(13) De verschillende belastingverminderingen voor werkloosheidsuitkeringen, pensioenen, ZIV-uitkeringen en andere vervangingsinkomsten.
(14) Volgens de coëfficiënt bepaald in art. 178, § 3, derde lid, 2°, WIB 92.
13. De onderstaande tabel geeft een overzicht van de in het (KB/)WIB 92 vermelde bedragen waarvan deze maatregel de indexering - al dan niet tijdelijk - heeft bevroren.
Artikel van het WIB 92 | Omschrijving | Basis-bedrag | Geïndexeerd bedrag (aj. 2025 - aj. 2030) |
Art. 21, eerste lid, 5° | Vrijgestelde inkomsten uit spaardeposito's | 625 | 1.020 |
Art. 21, eerste lid, 10° | Vrijgestelde interesten van erkende sociale ondernemingen | 125 | 200 |
Art. 21, eerste lid, 13° | Bedrag van de leningen via een crowdfundingplatform waarvan de interesten zijn vrijgesteld | 9.965 | 16.270 |
Art. 21, eerste lid, 14° | Vrijgestelde dividenden | 510 | 833 |
Art. 1456, eerste lid | Berekening van het maximale bedrag van levensverzekeringspremies en kapitaalaflossingen | 1.250 1.500
| 2.040 2.450
|
Art. 1457, § 1, vierde lid | Beperking van de betalingen voor verwerving van werkgeversaandelen | 500
| 820
|
Maximumbedrag van de aan de Koning verleende mogelijkheid om, bij in Ministerraad overlegd besluit, de grens van de beperking te verhogen | 1.000 | 1.630 | |
Art. 14533, § 1, tweede lid | Minimumbedrag van een gift dat recht geeft op belastingvermindering | 25 | 40 |
Art. 14533, § 1, vierde lid | Maximumbedrag van het totale bedrag van de giften waarvoor de belastingvermindering wordt verleend | 250.000 | 408.130 |
Art. 185, § 1
| Vrijgestelde dividenden van erkende coöperatieve vennootschappen | 125 | 200 |
Artikel van het WIB 92 | Omschrijving | Basis-bedrag | Geïndexeerd bedrag (aj. 2026 - aj. 2030) |
Art.1458, § 1, tweede lid (15) en derde lid | Beperking van de betalingen voor het pensioensparen | 625 800 | 1.050 1.350
|
Art.1458, § 1, tweede lid | Maximumbedrag van de aan de Koning verleende mogelijkheid om, bij in Ministerraad overlegd besluit, de grens van de beperking te verhogen | 1.000 | 1.680 |
Artikel van het WIB 92 | Omschrijving | Basis-bedrag | Geïndexeerd bedrag (aj. 2025 en aj. 2026) |
Art. 38, § 1, eerste lid, 9°, c | Vrijstelling van de vergoeding voor het woon-werkverkeer met een ander middel dan het openbaar gemeenschappelijk vervoer of het gemeenschappelijk vervoer georganiseerd door de werkgever | 250 | 490 |
Artikel van het WIB 92 | Omschrijving | Basis-bedrag | Geïndexeerd bedrag (aj. 2025 en volgende) |
art. 134, § 3, tweede lid, eerste streepje | Maximumbedrag van het belastingkrediet voor kinderen ten laste | 250 | 550 |
(15) In samenlezing met art. 634bis, KB/WIB 92.
14. Art. 42 en 43, W 18.12.2025 zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2026 (16).
(16) Art. 44, W 18.12.2025.
15. Art. 42 tot en met 44 van de wet van 18.12.2025 houdende diverse bepalingen (BS 30.12.2025 – Numac: 2025009647) wijzigden art. 134, § 3, tweede lid, eerste streepje en art. 178, §§ 3 en 5, WIB 92.
16. Geconsolideerde versie van art. 134, § 3, tweede lid, WIB 92 (wijzigingen in vet):
‘Het in het eerste lid bedoelde belastingkrediet kan niet meer bedragen dan:
- 550 euro per kind ten laste voor wie artikel 132bis niet wordt toegepast;
- de helft van het in het eerste streepje vermelde bedrag per kind voor wie artikel 132bis wordt toegepast.’
17. Geconsolideerde versie van art. 178, § 3, WIB 92 (wijzigingen in vet):
‘In afwijking van § 2, eerste lid, wordt, behoudens wat de in de artikelen 131 tot 133, 134, §§ 3 en 4, 136 en 141 tot 143 vermelde bedragen betreft, de aanpassing verwezenlijkt:
1° voor de aanslagjaren 1994 tot 1999 met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1991 te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988;
2° voor de aanslagjaren 2000 en volgende met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1997 en 1991.
In afwijking van het eerste lid, 2°, wordt wat de in de artikelen 21, 1456 tot 1458, 14524, § 1, 14528, 14532, 14533, 14534, vijfde lid, 14548, en 14549 vermelde bedragen betreft, de aanpassing verwezenlijkt:
1° voor de aanslagjaren 2015 tot 2018 met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2012 te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1997 en 1991;
2° voor de aanslagjaren 2019 en 2020 met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1997 en 1991 en met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 2016 en 2012;
3° voor de aanslagjaren 2021 tot 2024 met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2018, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1997 en 1991 en met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 2016 en 2012;
4° voor de aanslagjaren 2025 tot 2030 met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2023, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met achtereenvolgens de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1997 en 1991, de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 2016 en 2012 en de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 2022 en 2018;
5° voor de aanslagjaren 2031 en volgende met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met achtereenvolgens de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1997 en 1991, de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 2016 en 2012, de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 2022 en 2018 en de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 2028 en 2023.
In afwijking van het eerste lid, 2°, wordt wat het in artikel 38, § 1, eerste lid, 9, c, bedoelde bedrag betreft, de aanpassing vanaf het aanslagjaar 2026 verwezenlijkt met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1997 en 1991 en de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 2024 en 2023.
In afwijking van het eerste lid, 2°, wordt wat de in de artikelen 147, 151 tot 152 en 154 vermelde bedragen betreft, de aanpassing verwezenlijkt:
1° voor de aanslagjaren 2015 tot 2018 met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2012, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1997 en 1991;
2° voor de aanslagjaren 2019 en volgende met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1997 en 1991 en met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 2016 en 2012.
In afwijking van het tweede lid, 3°, worden de in artikel 1458, § 1, tweede lid en derde lid, vermelde bedragen voor het aanslagjaar 2021 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk overeenkomstig het vierde lid, 2°. De aldus geïndexeerde bedragen gelden eveneens voor de aanslagjaren 2022 tot 2024.
In afwijking van het tweede lid, 4°, worden de in artikel 1458, § 1, tweede lid en derde lid, bedoelde bedragen voor het aanslagjaar 2026 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk rekening houdende met het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2024 in plaats van het jaar 2023. De aldus geïndexeerde bedragen gelden eveneens voor de aanslagjaren 2027 tot 2030.’
18. Geconsolideerde versie van art. 178, § 5, WIB 92 (wijzigingen in vet):
‘In afwijking van paragraaf 1, worden de volgende bedragen niet geïndexeerd:
1° de in de artikelen 38, § 1, eerste lid, 29°, en 38/1 vermelde bedragen;
2° het in artikel 53, 14°, vermelde bedrag;
2°/1 het in artikel 57, vierde lid, vermelde bedrag;
3° de bedragen van het brutodag- of uurloon bedoeld in artikel 67ter, § 1;
3°/1 de in de artikelen 134, § 3, tweede lid, en artikel 145, tweede lid, bedoelde bedragen.’
Interne ref.: 747.109