• FR
  • NL
  • EN

Circulaire 2026/C/65 met betrekking tot het koninklijk besluit van 17.12.2025 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 2, 3, 4, 8, 10, 18, 19, 22, 27, 41, 44, 53 en 59 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde

De Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Belasting over de toegevoegde waarde publiceerde op 5 juni 2026 de Circulaire 2026/C/65 met betrekking tot het koninklijk besluit van 17.12.2025 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 2, 3, 4, 8, 10, 18, 19, 22, 27, 41, 44, 53 en 59 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde.

Eerste commentaar met betrekking tot het koninklijk besluit van 17.12.2025 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 2, 3, 4, 8, 10, 18, 19, 22, 27, 41, 44, 53 en 59 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde.

Inhoudstafel

1. Inleiding

2. Vereenvoudigingen inzake het houden van bepaalde btw-registers

2.1.Reglementaire bepalingen

2.2.Commentaar

3. Gestructureerde elektronische facturen

3.1.Reglementaire bepalingen

3.2.Commentaar

4. Aangiftesysteem voor de uitvoer van goederen

4.1.Reglementaire bepalingen

4.2.Commentaar

5. Onttrekkingen van voedingsmiddelen en levensnoodzakelijke niet-voedingsmiddelen andere dan goederen die op duurzame wijze kunnen worden gebruikt, met het oog op het verstrekken ervan voor liefdadigheidsdoeleinden

5.1.Reglementaire bepalingen

5.2.Commentaar

6. Technische wijzigingen in de nationale regelgeving

6.1.Reglementaire bepalingen

6.2Commentaar

7. Inwerkingtreding

1. Inleiding

Deze circulaire becommentarieert de wijzigingen aangebracht door het koninklijk besluit tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 2, 3, 4, 8, 10, 18, 19, 22, 27, 41, 44, 53 en 59 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde (BS 31.12.2025) (hierna 'het koninklijk besluit van 17.12.2025').

Dit koninklijk besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28.11.2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (artikel 1 van het koninklijk besluit) en bevat volgende hoofdstukken:

- Algemene bepaling (Hoofdstuk 1).

- Vereenvoudigingen inzake het houden van bepaalde btw-registers (Hoofdstuk 2).

- Periodiciteit voor de indiening van de periodieke btw-aangifte en de bezwaarprocedure in het kader van de nieuwe btw-ketting (Hoofdstuk 3);

- Gestructureerde elektronische facturen (Hoofdstuk 4).

- Aangiftesysteem voor de uitvoer van goederen (Hoofdstuk 5).

- Onttrekkingen van voedingsmiddelen en levensnoodzakelijke niet-voedingsmiddelen andere dan goederen die op duurzame wijze kunnen worden gebruikt, met het oog op het verstrekken ervan voor liefdadigheidsdoeleinden (Hoofdstuk 6).

- Technische wijzigingen in de nationale regelgeving (Hoofdstuk 7).

- Slotbepalingen (Hoofdstuk 8).

Het koninklijk besluit van 17.12.2025 wijzigt volgende koninklijke besluiten:

- het koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde

- het koninklijk besluit nr. 2 van 19.12.2018 met betrekking tot de forfaitaire regeling inzake belasting over de toegevoegde waarde

- het koninklijk besluit nr. 3 van 10.12.1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde

- het koninklijk besluit nr. 4 van 29.12.1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde

- het koninklijk besluit nr. 8 van 12.03.1970 tot vaststelling van de wijze van afronding van de verschuldigde, de aftrekbare of de voor teruggaaf vatbare belasting over de toegevoegde waarde

- het koninklijk besluit nr. 10 van 29.12.1992 met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikelen 15, § 2, vierde lid, 21bis, § 2, 9°, vierde lid, 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid en 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde

- het koninklijk besluit nr. 18 van 29.12.1992 met betrekking tot de vrijstellingen ten aanzien van de uitvoer van goederen en diensten naar een plaats buiten de Gemeenschap, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde

- het koninklijk besluit nr. 19 van 15.12.2024 met betrekking tot de vrijstellingsregeling van belasting over de toegevoegde waarde in het voordeel van kleine ondernemingen

- het koninklijk besluit nr. 22 van 15.09.1970 met betrekking tot de bijzondere regeling voor landbouwondernemers inzake belasting over de toegevoegde waarde

- het koninklijk besluit nr. 27 van 26.06.1973 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, ten aanzien van vlees van slachtdieren

- het koninklijk besluit nr. 41 van 30.01.1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde

- het koninklijk besluit nr. 44 van 09.07.2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde

- het koninklijk besluit nr. 53 van 23.12.1994 met betrekking tot de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten

- het koninklijk besluit nr. 59 van 18.05.2020 met betrekking tot de onttrekking van handelsgeschenken van geringe waarde en de onttrekking voor liefdadigheidsdoeleinden van voedingsmiddelen en levensnoodzakelijke niet-voedingsmiddelen andere dan goederen die op duurzame wijze kunnen worden gebruikt, wat de belasting over de toegevoegde waarde betreft.

De hiervoor aangehaalde wijzigingen worden toegelicht in deze circulaire, met uitzondering evenwel van de commentaar op de artikelen 6 en 7 opgenomen onder hoofdstuk 3 ('Periodiciteit voor de indiening van de periodieke btw-aangifte en de bezwaarprocedure in het kader van de nieuwe btw-ketting') van het koninklijk besluit van 17.12.2025. Deze bepalingen wijzigen de circulaire 2025/C/6 betreffende de modernisering van de Btw-ketting en worden nader toegelicht in een afzonderlijke circulaire (circulaire 2025/C/32).

2. Vereenvoudigingen inzake het houden van bepaalde btw-registers

2.1. Reglementaire bepalingen

2.1.1. Wijzigingen van het koninklijk besluit nr. 1

Artikel 2 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 luidt als volgt:

'In artikel 15, § 4, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, worden de woorden "250 EUR" vervangen door de woorden "500 euro".'

Artikel 3 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 luidt als volgt:

'Artikel 27 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt:

"Art. 27. De belastingplichtigen nemen in hun boekhouding de in artikelen 24 en 26 voorgeschreven vermeldingen op. Het opnemen van die vermeldingen geldt als het houden van de in artikelen 23 en 25 bedoelde registers.”.'

Artikel 4 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 luidt als volgt:

'In artikel 28, § 1, eerste lid, inleidende zin, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 6 februari 2002, worden de woorden ", met uitzondering van de bromfietsen van klasse A, de bromfietsen van klasse B en de Speed Pedelecs,” ingevoegd tussen de woorden "de motorvoertuigen" en de woorden "die in zijn inrichting aanwezig zijn".'.

2.1.2. Wijziging van het koninklijk besluit nr. 27

Artikel 5 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 luidt als volgt:

'Artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit nr. 27 van 26 juni 1973 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, ten aanzien van vlees van slachtdieren, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 24 januari 2015, wordt aangevuld met een lid, luidende:

"Het in het eerste lid bedoelde register mag op elektronische wijze worden gehouden, in welk geval het tweede lid niet van toepassing is.".'

2.2. Commentaar

Het koninklijk besluit van 17.12.2025 brengt verschillende wijzigingen aan in de koninklijke besluiten nr. 1 en nr. 27 met betrekking tot het houden van bepaalde btw-registers.

Deze maatregelen houden vereenvoudigingen in die tegemoetkomen aan het punt van het regeerakkoord dat bepaalt dat: 'Het dagontvangstenboek, diverse btw-registers ... zal de regering schrappen, bijsturen, of vereenvoudigen. Daarbij zal rekening gehouden worden met de bestaande controlemogelijkheden en de informatie waarover de fiscale administratie reeds beschikt.'.

2.2.1. Het dagboek van ontvangsten

De eerste maatregel betreft de versoepeling van de afzonderlijke inschrijving van bepaalde ontvangsten in het dagontvangstenboek dat bepaalde belastingplichtigen moeten bijhouden. Artikel 15, § 4, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 1 bepalen:

'Per bedrijfszetel wordt het totale bedrag van de dagontvangsten van dag tot dag ingeschreven in het dagboek van ontvangsten of wordt dagelijks geregistreerd door het gebruik van het elektronisch kasregister bedoeld in artikel 14, § 2, 3°, derde lid.

Een afzonderlijke inschrijving met vermelding van de aard van de verkochte goederen is evenwel noodzakelijk voor de ontvangsten die voortkomen van de levering van goederen waarvan de prijs, per in de handel gebruikelijke eenheid, meer bedraagt dan 250 EUR, belasting over de toegevoegde waarde inbegrepen.'.

Als principe geldt derhalve dat het totaalbedrag van de gedurende de dag gerealiseerde handelingen van dag tot dag en per bedrijfszetel in het dagboek van ontvangsten wordt ingeschreven. Voor belangrijkere handelingen is evenwel een afzonderlijke inschrijving per handeling vereist, met name voor de levering van goederen waarvan de prijs per in de handel gebruikelijke eenheid, inclusief btw, meer dan 250 euro bedraagt. Die verplichting geldt echter niet als de belastingplichtige verantwoordingsstukken opstelt en bewaart die, niet alleen de ontvangst maar ook de aard van de verkochte goederen nauwkeurig vermelden. (artikel 15, § 4, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 1).

Om die verplichting tot afzonderlijke inschrijving van dergelijke handelingen in het dagboek van ontvangsten te versoepelen, verhoogt artikel 2 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 het minimumbedrag van de prijs per in de handel gebruikelijke eenheid van de goederen waarvan de levering afzonderlijk in het dagboek van ontvangsten moet worden ingeschreven. Dat bedrag zal derhalve worden opgetrokken van 250 euro naar 500 euro. Op die manier zal er minder systematisch tot een dergelijke individuele inschrijving moeten worden overgegaan, met name door kleine detailhandelaars (die doorgaans verplicht zijn een dagboek van ontvangsten bij te houden omdat zij het merendeel van hun handelingen voor particulieren verrichten).

Deze administratieve vereenvoudiging doet uiteraard geen afbreuk aan de verplichting om het totale bedrag van hun dagontvangsten van dag tot dag in hun dagboek van ontvangsten in te schrijven.

2.2.2. Het register van niet-overbrengingen en het register van ontvangen materialen

2.2.2.1. inleiding

De tweede maatregel voert een administratieve vereenvoudiging in met betrekking tot het houden van de in artikelen 23 en 25 van het koninklijk besluit nr. 1 bedoelde registers. Dit betreft:

- het zogenaamde ‘register van niet-overbrengingen' dat betrekking heeft op de goederen die werden verzonden of vervoerd naar een andere lidstaat om die daar in principe tijdelijk te gebruiken voor bepaalde handelingen of werkzaamheden (artikel 54bis, § 1, eerste lid van het Btw-Wetboek en artikel 23 van het koninklijk besluit nr. 1)

- het zogenaamde ‘register van ontvangen materialen’ dat enerzijds betrekking heeft op de goederen die door een andere belastingplichtige aan de belastingplichtige werden toevertrouwd om voor eerstgenoemde een maakloonwerk te verrichten in de zin van artikel 1, § 22, van het Btw-Wetboek en anderzijds op de goederen die naar de belastingplichtige worden verstuurd door een belastingplichtige die voor btw-doeleinden is geïdentificeerd in een andere lidstaat van waaruit de goederen werden vervoerd en die het voorwerp uitmaken van een expertise of een ander materieel werk dan een maakloonwerk (artikel 54bis, § 1, tweede lid en § 2, van het Btw-Wetboek en artikel 25 van het koninklijk besluit nr. 1).

Op grond van de artikelen 24 en 26 van het koninklijk besluit nr. 1, moet de belastingplichtige die die registers houdt daarin een reeks vermeldingen inschrijven. Die vermeldingen hebben met name betrekking op de oorsprong van de goederen, hun kenmerken of de identificatiegegevens van de belastingplichtige die die goederen heeft toevertrouwd of vervoerd.

Tenslotte preciseert artikel 27 van het koninklijk besluit nr. 1 dat de belastingplichtigen die een boekhouding voeren waarin de bedoelde vermeldingen met betrekking tot de in de artikelen 23 en 25 bedoelde registers voorkomen, ervan ontheven zijn die registers te houden.

De in artikel 3 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 opgenomen vereenvoudigingsmaatregel strekt ertoe de in dat artikel 27 opgenomen regel te veralgemenen en aldus als principe voorop te stellen dat die vermeldingen worden opgenomen in de boekhouding van de belastingplichtige die er in principe toe gehouden is de in artikelen 23 en 25 bedoelde registers te houden. Momenteel beschikt het merendeel van de belastingplichtigen over een boekhouding die het hen mogelijk maakt die vermeldingen daarin op te nemen. Bijgevolg zullen de in de artikelen 23 en 25 bedoelde registers slechts als dusdanig daadwerkelijk formeel moeten worden gehouden door belastingplichtigen die nog geen boekhouding voeren overeenkomstig de momenteel algemeen gangbare standaarden.

2.2.2.2. Wijzigingen aan circulaire 2020/C/50 van 02.04.2020 betreffende het btw-stelsel van het B2B intracommunautair handelsverkeer van goederen

De vijfde alinea van punt 5.3.7 van circulaire 2020/C/50 wordt als volgt aangevuld:

“Sinds 10.06.2026 geldt als principe dat de belastingplichtige de in het register verplichte vermeldingen opneemt in zijn boekhouding. Dit geldt als het houden van het register van niet-overbrengingen.”

Punt 5.3.9 van circulaire 2020/C/50 wordt vervangen als volgt:

“Krachtens artikel 54bis, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek moet iedere belastingplichtige, met uitsluiting van de btw-eenheden, evenals de leden van de btw-eenheid een register bijhouden van de goederen die zij hebben verzonden of vervoerd, of die voor hun rekening werden verzonden of vervoerd, naar een andere lidstaat voor de handelingen bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 4° tot 6°, van het Btw-Wetboek.

In deze gevallen van niet-overbrenging waarin een belastingplichtige (of desgevallend een lid van een btw-eenheid) voor bedrijfsdoeleinden tijdelijk goederen vervoert of verzendt (of voor zijn rekening laat vervoeren of verzenden) naar een andere lidstaat, is hij verplicht om de goederen op te nemen in een register. Dit register moet de verantwoording van de tijdelijke afwezigheid en de opvolging van de goederen mogelijk maken.

Dit register wordt het register van niet-overbrengingen genoemd (zie artikelen 23 en 24 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992; zie ook artikel 29 van het koninklijk besluit dat de modaliteiten bepaalt waarbij wordt opgemerkt dat de verplichting om het register voor te leggen om geviseerd en geparafeerd te worden op het bevoegde kantoor opgeschort is bij administratieve tolerantie).

Het gaat om de volgende gevallen van niet-overbrenging, waarbij de goederen door of voor rekening van de belastingplichtige tijdelijk naar een andere lidstaat worden vervoerd of verzonden:

- de goederen ondergaan een dienst in verband met expertises of werkzaamheden betreffende deze goederen, die daadwerkelijk worden verricht in de lidstaat van aankomst, voor zover de goederen na expertise of bewerking opnieuw worden verzonden naar de belastingplichtige in België van waar zij oorspronkelijk werden verzonden of vervoerd (zie artikel 12bis, tweede lid, 4°, van het Btw-Wetboek en 5.3.7.4.);

- het tijdelijk gebruik van deze goederen op het grondgebied van de lidstaat van aankomst ten behoeve van een dienst die door de in België gevestigde belastingplichtige wordt verricht (zie artikel 12bis, tweede lid, 5°, van het Btw-Wetboek en 5.3.7.5.);

- het tijdelijk gebruik van deze goederen voor een periode van ten hoogste 24 maanden op het grondgebied van een andere lidstaat, waar de invoer van dezelfde goederen uit een derde land met het oog op tijdelijk gebruik in aanmerking zou komen voor de regeling tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten (zie artikel 12bis, tweede lid, 6°, van het Btw-Wetboek en 5.3.7.6.).

Vóór 10.01.2026 gold reeds dat de belastingplichtigen die een boekhouding voeren waarin de in artikel 24 van het koninklijk besluit nr. 1 bedoelde vermeldingen voorkomen, ervan ontheven zijn om het register van niet-overbrengingen te houden.

Sinds 10.01.2026 geldt evenwel als principe dat de belastingplichtige de in artikel 24 koninklijk besluit nr. 1 voorgeschreven vermeldingen opneemt in zijn boekhouding. Het betreft de volgende vermeldingen:

- een volgnummer;

- de datum van de handeling;

- de naam en het adres van de bestemmeling van de betrokken goederen;

- in voorkomend geval, het btw-identificatienummer van die bestemmeling en de plaats van bestemming van de betrokken goederen;

- de hoeveelheid van de verzonden of vervoerde goederen en de gebruikelijke benaming van deze goederen;

- hun nummers of identificatietekens wanneer deze ervan voorzien zijn;

- de waarde van de verzonden of vervoerde goederen zoals bepaald in artikel 33, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek (zie 5.3.5.);

- de datum van terugkeer van de goederen;

- de hoeveelheid en de gebruikelijke benaming van de teruggekeerde goederen, wanneer deze verschillen van die van de verzonden of vervoerde goederen;

- de hoeveelheid van de goederen die niet zijn teruggekeerd, alsook de reden van niet terugkeer;

- de datum en het inschrijvingsnummer in de factuurboeken van de facturen of de als zodanig geldende stukken en van de creditnota's die hij heeft ontvangen of uitgereikt met betrekking tot deze handelingen.

De opname van die vermeldingen in de boekhouding geldt dan als het houden van het register (artikel 27 van het koninklijk besluit nr. 1).”

In het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 17.12.2025 (BS 31.12.2026) wordt met betrekking tot de wijziging van artikel 27 van het koninklijk besluit nr. 1 verduidelijkt dat het merendeel van de belastingplichtigen momenteel over een boekhouding beschikt die het hen mogelijk maakt om de hierboven bedoelde vermeldingen daarin op te nemen. Bijgevolg zal het register van niet-overbrengingen slechts als dusdanig daadwerkelijk formeel moeten worden gehouden door belastingplichtigen die nog geen boekhouding voeren overeenkomstig de momenteel algemeen gangbare standaarden.”

Punt 5.4.10 van circulaire 2020/C/50 wordt vervangen als volgt:

“Krachtens artikel 54bis, § 1, tweede lid, en § 2, van het Btw-Wetboek moet iedere belastingplichtige, met uitsluiting van de btw-eenheden in de zin van artikel 4,§ 2 van het Btw-Wetboek, evenals de leden van een btw-eenheid een register bijhouden van de goederen die:

– aan hen worden toevertrouwd met het oog op het verrichten van een maakloonwerk in de zin van artikel 1, § 22, van het Btw-Wetboek (artikel 25, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1). Het is van geen belang of de goederen naar hem worden verzonden vanuit België of vanuit een andere lidstaat;

– aan hen vanuit een andere lidstaat werden toegezonden door of voor rekening van een in die andere lidstaat voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige en die het voorwerp uitmaken van een expertise of van een materieel werk ander dan een maakloonwerk (artikel 25, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1).

Dit register wordt het register van ontvangen materialen genoemd (zie artikelen 25 en 26 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992; zie ook artikel 29 van het koninklijk besluit dat de modaliteiten bepaalt, waarbij wordt opgemerkt dat de verplichting om het register voor te leggen om geviseerd en geparafeerd te worden op het bevoegde kantoor opgeschort is bij administratieve tolerantie).

Goederen moeten niet in dit register worden ingeschreven als ze reeds moeten worden ingeschreven in het register van motorvoertuigen zoals bedoeld in artikel 28 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992 (artikel 25, § 4, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992).

Vóór 10.01.2026 gold reeds dat de belastingplichtigen die een boekhouding voeren waarin de in artikel 26 van het koninklijk besluit nr. 1 bedoelde vermeldingen voorkomen, ervan ontheven zijn om het register van ontvangen materialen te houden.

Sinds 10.01.2026 geldt evenwel als principe dat de belastingplichtige de in artikel 26 koninklijk besluit nr. 1 voorgeschreven vermeldingen opneemt in zijn boekhouding. Het betreft de volgende vermeldingen:

– een volgnummer;

– de datum van ontvangst van de goederen;

– de naam en het adres van de opdrachtgever;

– het btw-identificatienummer van de opdrachtgever;

– de hoeveelheid van de goederen die aan de belastingplichtige zijn toevertrouwd;

– de gebruikelijke benaming van die goederen en hun nummer of identificatiekentekens wanneer ze ervan voorzien zijn;

– dadelijk na voltooiing van de expertise of van het materieel werk, de datum van verzending of van het vervoer van de goederen die het voorwerp hebben uitgemaakt van de dienstverrichting;

– per verzending, de hoeveelheid van de verzonden goederen alsook de gebruikelijk benaming ervan;

– de hoeveelheid en de gebruikelijke benaming van de goederen die hem zijn toevertrouwd en die niet aan de opdrachtgever worden teruggegeven;

– de datum en het inschrijvingsnummer in het boek voor uitgaande facturen van de facturen en de creditnota's die hij met betrekking tot de verrichte dienst heeft uitgereikt.

De opname van die vermeldingen in de boekhouding geldt dan als het houden van het register (artikel 27 van het koninklijk besluit nr. 1).

In het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 17.12.2025 (BS 31.12.2026) wordt met betrekking tot de wijziging van artikel 27 van het koninklijk besluit nr. 1 verduidelijkt dat het merendeel van de belastingplichtigen momenteel over een boekhouding beschikt die het hen mogelijk maakt om de hierboven bedoelde vermeldingen daarin op te nemen. Bijgevolg zal het register van ontvangen materialen slechts als dusdanig daadwerkelijk formeel moeten worden gehouden door belastingplichtigen die nog geen boekhouding voeren overeenkomstig de momenteel algemeen gangbare standaarden.”

2.2.3. Het register van motorvoertuigen

De derde maatregel heeft betrekking op het register van motorvoertuigen dat overeenkomstig artikel 28 van het koninklijk besluit nr. 1 wordt gehouden door de garagisten.

Artikel 4 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 strekt ertoe om in de reglementering de administratieve tolerantie te verankeren die voortvloeit uit de circulaire 2018/C/47 van 19 april 2018 met betrekking tot het btw-register van de motorvoertuigen, op grond waarvan 'De bromfietsen van klasse A, de bromfietsen van klasse B en de Speed Pedelecs [...] niet beoogd [worden] door de verplichting tot inschrijving in het register.' (punt 6, in fine, van de circulaire).

Artikel 4 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 neemt die uitsluiting bijgevolg expliciet op in artikel 28, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1.

2.2.4. Het slachthuisregister

De vierde en laatste maatregel heeft tenslotte betrekking op het register dat moet worden gehouden in elk slachthuis voor de dieren die in het slachthuis binnenkomen om te worden geslacht. Dat register, waarin wordt voorzien in artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit nr. 27, bevat een hele reeks gegevens met betrekking tot de classificatie van het dier, de herkomst van het dier, de eigenaar(s) van het dier, de informatie inzake de slachting van het dier, het gewicht van het dier na de slacht en andere vereiste gegevens.

Momenteel wordt voorzien dat dat register wordt gehouden volgens een (papieren) model bepaald door de Minister van Financiën of zijn gemachtigde, dat elke bladzijde van dat register wordt genummerd en dat de eerste bladzijde wordt ondertekend door de exploitant van het slachthuis.

Dit formalisme is niet meer aangepast aan de huidige manier van functioneren van die slachthuizen die veelal volledig geïnformatiseerd zijn, al is het maar op grond van de sanitaire regels die momenteel op hen van toepassing zijn. Bijgevolg vult artikel 5 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit nr. 27 aan met een derde lid dat bepaalt dat dat register door de exploitant van het slachthuis op elektronische wijze mag worden gehouden (middels zijn computerboekhouding).

3. Gestructureerde elektronische facturen

3.1. Reglementaire bepalingen

Artikel 8 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 luidt als volgt:

'In artikel 12, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij het koninklijk besluit van 19 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1° in het eerste lid, worden de woorden "of § 2bis, derde lid," ingevoegd tussen de woorden "53, § 2, derde lid," en de woorden "van het Wetboek";

2° in de tweede lid, worden de woorden "of § 2bis, vierde lid," ingevoegd tussen de woorden "53, § 2, tweede lid," en de woorden "van het Wetboek".'

Artikel 9 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 luidt als volgt:

'In artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

a) in de bepaling onder 1°, worden de woorden "of § 2bis" ingevoegd tussen de woorden "53, § 2" en de woorden "en 53decies, § 2";

b) in de bepaling onder 7°, worden de woorden "of § 2bis" ingevoegd tussen de woorden "53, § 2" en de woorden "en 53decies, § 2".'

Artikel 10 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 luidt als volgt:

'Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 8 van 12 maart 1970 tot vaststelling van de wijze van afronding van de verschuldigde, de aftrekbare of de voor teruggaaf vatbare belasting over de toegevoegde waarde, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 februari 2004, wordt aangevuld met een lid, luidende:

"In afwijking van het eerste tot en met het derde lid, gelden voor krachtens artikel 53, § 2bis, van het Wetboek uitgereikte gestructureerde elektronische facturen de afrondingsregels die onderdeel uitmaken van in de in artikel 13ter van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde normen.".'

Artikel 11 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 luidt als volgt:

'Artikel 4 van het koninklijk besluit van 8 juli 2025 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 8 en 44 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde wat gestructureerde elektronische facturen betreft wordt opgeheven.'

3.2. Commentaar

3.2.1. Technische wijzigingen

De artikelen 8 en 9 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 brengen eerder technische wijzigingen aan in, respectievelijk, artikel 12 van het koninklijk besluit nr. 1 en in artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 3. Deze wijzigingen zijn noodzakelijk ingevolge de invoering, vanaf 01.01.2026, van de verplichting voor de meeste belastingplichtigen die in België zijn gevestigd en voor btw-doeleinden zijn geïdentificeerd, om gestructureerde elektronische facturen uit te reiken en te ontvangen.

Deze verplichting vervangt grotendeels de huidige verplichting om een factuur uit te reiken en af te leveren (op papier of in een eenvoudige elektronische vorm mits akkoord van de partijen) voor de handelingen tussen belastingplichtigen.

In die context brengt artikel 8 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 twee identieke wijzigingen aan in artikel 12, § 1, van koninklijk besluit nr. 1. Dat artikel legt de verplichting vast voor de leverancier of dienstverrichter (of zijn medecontractant, wanneer de partijen hebben gekozen voor het mechanisme van self billing) om een verbeterend document ('creditnota' of 'debetnota') uit te reiken wanneer de oorspronkelijke factuur moet worden gewijzigd. Dit principe, dat is erkend in artikel 53, § 2, derde lid, van het Btw-Wetboek met betrekking tot facturen, moet worden uitgebreid naar de gestructureerde elektronische facturen en naar de documenten die in dezelfde vorm worden uitgereikt om die te wijzigen krachtens artikel 53, § 2bis, derde lid (verbeterend document uitgereikt door de leverancier of dienstverrichter) of vierde lid (verbeterend document uitgereikt door de medecontractant van de leverancier of dienstverrichter).

Artikel 9 van dit besluit brengt op zijn beurt twee gelijkaardige wijzigingen aan in artikel 3, § 1, van koninklijk besluit nr. 3. Deze bepaling legt de voorwaarden vast die een belastingplichtige moet in acht nemen om zijn recht op btw-aftrek te kunnen uitoefenen overeenkomstig artikel 45 van het Btw-Wetboek.

Een van deze voorwaarden bestaat erin dat hij beschikt over een factuur die is uitgereikt overeenkomstig de artikelen 53, § 2, en 53decies, § 2, van het Btw-Wetboek en die de in artikel 5, § 1, van koninklijk besluit nr. 1 bedoelde vermeldingen bevat.

Toegepast in het kader van de verplichting om een gestructureerde elektronische factuur uit te reiken en te ontvangen, houdt die voorwaarde in dat de belastingplichtige klant, wat de handelingen betreft waarvoor een dergelijke gestructureerde elektronische factuur moet worden uitgereikt, in principe over zo'n gestructureerde elektronische factuur moet beschikken om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen. Die voorwaarde geldt zowel in het geval waarin de leverancier of dienstverrichter schuldenaar is van de belasting (artikel 3, § 1, 1°, van koninklijk besluit nr. 3) als in het geval waarin de medecontractant-belastingplichtige schuldenaar is van die belasting (regeling van de verlegging van heffing - artikel 3, § 1, 7°, van koninklijk besluit nr. 3).

Artikel 3, § 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 3 wordt gewijzigd zodat om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen de belastingplichtige ten aanzien van de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, in het bezit moet zijn van een factuur uitgereikt overeenkomstig de artikelen 53, § 2 of § 2bis en 53decies, § 2, van het Btw-Wetboek waarop de vermeldingen voorkomen bedoeld in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.

Artikel 3, § 1, 7°, van datzelfde koninklijk besluit nr. 3 wordt gewijzigd zodat om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen de belastingplichtige ten aanzien van de belasting geheven van de handelingen waarvoor hij, bij toepassing van artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, 2°, 5° en 6° of § 4, of van artikel 55, § 6, van het Btw-Wetboek, ertoe gehouden is zelf de opeisbare belasting te voldoen, in het bezit moet zijn van een factuur uitgereikt overeenkomstig de artikelen 53, § 2 of § 2bis en 53decies, § 2, van het Btw-Wetboek en de verschuldigde belasting moet opnemen in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin ze opeisbaar wordt. Volledigheidshalve wordt er op gewezen dat de belastingplichtige, bij gebreke van een dergelijke factuur, zijn recht op aftrek onder dezelfde voorwaarde kan uitoefenen op grond van het bedoelde stuk in artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde of in artikel 5, § 2, van het koninklijk besluit nr. 31 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen.

De aangebrachte wijziging maakt het aldus mogelijk voor de belastingplichtige klant om zijn recht op aftrek uit te oefenen wanneer hij beschikt over een gestructureerde elektronische factuur die door zijn leverancier werd uitgereikt, en vermijdt dus de beperking van die formele voorwaarde tot de aflevering van een factuur (op papier of in een andere elektronische vorm) op basis van artikel 53, § 2, van het Wetboek.

Er moet evenwel rekening worden gehouden met de situatie waarin, ondanks de principiële verplichting om een gestructureerde elektronische factuur uit te reiken en te ontvangen, de leverancier of dienstverrichter toch een factuur in een andere vorm heeft uitgereikt in het bijzonder omdat zijn medecontractant niet beschikt over de technische middelen om een dergelijke factuur te ontvangen. In dat geval kan de ontvanger zijn recht op aftrek uitoefenen op basis van de factuur die hem door zijn leverancier of dienstverrichter in een andere vorm (op papier of in een andere elektronische vorm) wordt uitgereikt.

Gelet op de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het beginsel 'substance over form', kan het niet-naleven door één van de partijen van de verplichting om gestructureerde elektronische facturen uit te reiken en te ontvangen inderdaad niet beletten dat de belastingplichtige die beschikt over een (in een andere vorm opgestelde) factuur die alle wettelijk verplichte vermeldingen bevat, zijn recht op aftrek uitoefent, ook al kan zo'n niet-naleving wel aanleiding geven tot bepaalde administratieve sancties.

In die context, en rekening houdend met het feit dat niet alle handelingen noodzakelijkerwijze het voorwerp moeten uitmaken van een gestructureerde elektronische factuur, moet de verwijzing naar het bezit van een factuur 'uitgereikt overeenkomstig de artikelen 53, § 2 (…) van het Wetboek' behouden blijven in artikel 3 van koninklijk besluit nr. 3.

3.2.2. Afrondingsregels

De artikelen 10 en 11 van dit besluit wijzigen de in het koninklijk besluit nr. 8 opgenomen afrondingsregels, in zoverre die betrekking hebben op de verschuldigde btw vermeld op de gestructureerde elektronische facturen die moeten worden uitgereikt op grond van artikel 53, § 2bis, van het Btw-Wetboek en die derhalve, op grond van artikel 13ter van het koninklijk besluit nr. 1, moeten voldoen aan de Europese norm voor elektronische facturering en de lijst van syntaxen ervan op grond van Richtlijn 2014/55/EU van het Europese Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake elektronische facturering bij overheidsopdrachten (al naargelang de omstandigheden al dan niet geconcretiseerd in het formaat Peppol BIS in de UBL-versie).

Artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 8 bepaalt vooreerst hoe de afronding moet gebeuren, i.e. op hoeveel decimalen moet worden afgerond: wanneer het bedrag van de verschuldigde belasting een fractie van een euro met meer dan twee decimalen bevat, moet die fractie op de hogere of op de lagere cent worden afgerond, al naargelang de derde decimaal al dan niet vijf bereikt.

Vervolgens bepalen het tweede en het derde lid van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 8 op welk niveau die afronding moet of mag worden uitgevoerd.

Artikel 1, tweede lid, 1°, van dat besluit legt vooreerst een algemene regel vast voor de verschuldigde btw die moet worden vermeld op facturen of andere stukken: de in het eerste lid van dat artikel bedoelde afronding van de verschuldigde btw moet worden verricht 'per stuk' (en dus per factuur) telkens wanneer het bedrag van de belasting moet worden vermeld op een factuur.

Artikel 1, derde lid, van dat besluit voorziet vervolgens in een (facultatieve) afwijking op dat afrondingsniveau: om redenen van boekhoudorganisatie mag het verschuldigde btw-bedrag op de factuur met name worden afgerond per goed of per dienst, per tarief of anderszins. Op grond van de wijziging aangebracht bij artikel 4 van het koninklijk besluit van 08.07.2025 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 8 en 44 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde wat gestructureerde elektronische facturen betreft, zou die afwijking evenwel niet gelden voor een gestructureerde elektronische factuur uitgereikt in een formaat dat voldoet aan de Europese semantische en syntactische normen inzake elektronische facturering.

De artikelen 10 en 11 van dit besluit strekken ertoe om de draagwijdte van de bijzondere regeling voor de afronding van de verschuldigde btw vermeld op gestructureerde elektronische facturen te verduidelijken en te nuanceren. Tegelijk is het de bedoeling om ervoor te zorgen dat er geen conflict zou kunnen ontstaan tussen de in het koninklijk besluit nr. 8 geldende afrondingsregels en de eventuele toekomstige wijzigingen van de afrondingsregels die al inherent besloten liggen in de in artikel 13ter van het koninklijk besluit nr. 1 bedoelde normen, met name de voormelde Europese norm voor elektronische facturering en de lijst van syntaxen ervan op grond van Richtlijn 2014/55/EU van het Europese Parlement en de Raad van 16.04.2014 inzake elektronische facturering bij overheidsopdrachten, al dan niet geconcretiseerd in Peppol BIS. Om die reden wordt zowel afgeweken van het eerste lid (afrondingswijze) als van het tweede en het derde lid (afrondingsniveau) van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 8, ook al wordt qua afrondingswijze binnen de voormelde Europese norm op dit moment ook voorzien dat wordt afgerond op twee decimalen.

Bijgevolg wordt bij artikel 11 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 de bij het koninklijk besluit van 08.07.2025 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 8 en 44 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde wat gestructureerde elektronische facturen betreft aangebrachte wijziging van artikel 1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 8 opgeheven, terwijl artikel 10 van dit besluit een nieuw vierde lid invoegt in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 8.

De door artikel 10 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 ingevoegde tekst van het derde lid van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 8 grijpt aldus terug naar een algemene formulering van de afwijkende regel inzake het afrondingsniveau (overeenkomstig de toepasselijke formulering vóór de voormelde wijziging van dat lid) terwijl een nieuw vierde lid wordt toegevoegd dat qua afrondingsniveau in algemene termen geldt voor gestructureerde elektronische facturen die worden uitgereikt krachtens artikel 53, § 2bis, van het Btw-Wetboek.

Daarbij wordt een meer abstracte maar rechtstreekse verwijzing gehanteerd naar de afrondingsregels die besloten liggen in de voormelde Europese norm. Er wordt tevens van de gelegenheid gebruik gemaakt om de formulering van de verwijzing terminologisch ook volledig af te stemmen op de in artikel 13ter van het koninklijk besluit nr. 1 gehanteerde terminologie die zelf teruggaat op de formulering die wordt gehanteerd in de Richtlijn (EU) 2025/516 van de Raad van 11.03.2025 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft de btw-regels voor het digitale tijdperk.

4. Aangiftesysteem voor de uitvoer van goederen

4.1. Reglementaire bepalingen

Artikel 12 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 luidt als volgt:

'Artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 18 van 29 december 1992 met betrekking tot de vrijstellingen ten aanzien van de uitvoer van goederen en diensten naar een plaats buiten de Gemeenschap, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde wordt vervangen als volgt:

"Art. 2. De verkoper die zich beroept op de in artikel 39, § 1, 1°, van het Wetboek bedoelde vrijstelling, neemt in de overeenkomstig de douanereglementering inzake uitvoer ingediende aangifte ten uitvoer een referentie op naar de verkoopfactuur of, bij ontstentenis van een verkoopfactuur, naar een verzendingsstuk met betrekking tot de uitgevoerde goederen dat alle gegevens van een verkoopfactuur bevat.

De in het eerste lid bedoelde verkoper legt op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie belast met douane en accijnzen, de factuur of het verzendingsstuk, bedoeld in het eerste lid, voor.".'

Artikel 13 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 luidt als volgt:

'In artikel 7 van hetzelfde besluit wordt het tweede lid vervangen als volgt:

"Wanneer de in artikel 2 bedoelde factuur de hoeveelheid en de gewone benaming van de uitgevoerde goederen niet vermeldt wordt eveneens een verzendingsstuk opgesteld waarop die gegevens voorkomen. Een referentie naar dat verzendingsstuk wordt opgenomen in de overeenkomstig de douanereglementering inzake uitvoer ingediende aangifte ten uitvoer met betrekking tot de uitgevoerde goederen. Het verzendingsstuk wordt overeenkomstig artikel 2, tweede lid ter beschikking gehouden van de ambtenaren van de administratie belast met douane en accijnzen.".'

4.2. Commentaar

Artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 18 bepaalt dat in geval van uitvoer van goederen een kopie van de verkoopfactuur of, bij ontstentenis van een dergelijke factuur, een verzendingsstuk dat alle gegevens van een verkoopfactuur bevat, moet worden afgegeven op het douanekantoor waar, overeenkomstig de douanereglementering inzake uitvoer, een aangifte ten uitvoer moet worden ingediend.

Artikel 7, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 18 bepaalt verder dat, wanneer op de voormelde kopiefactuur de hoeveelheid en de gewone benaming van de goederen niet zijn vermeld, die kopiefactuur met die gegevens moet worden aangevuld of er eveneens een verzendingsstuk moet worden afgegeven waarop die gegevens voorkomen.

De verwijzing naar die kopie van de verkoopfactuur of het vervangende verzendingsstuk is niet meer gewijzigd sinds 01.01.1993, wanneer het koninklijk besluit nr. 18 in werking is getreden en stamt derhalve nog uit de periode waarin er nog papieren aangiften ten uitvoer werden ingediend.

Gelet op de huidige elektronische procedure voor de indiening van aangiften ten uitvoer, is de verplichting tot systematische afgifte van een kopie van de verkoopfactuur of een verzendingsstuk in de praktijk in onbruik geraakt.

Om die reden worden de artikelen 2 en 7, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 18 aangepast om ze in overeenstemming te brengen met de nieuwe manier waarop de elektronische uitvoerprocedure ondertussen wordt afgehandeld.

Dienovereenkomstig wijzigen respectievelijk de artikelen 12 en 13 van dit besluit de voormelde bepalingen in die zin dat:

- er geen kopie van de verkoopfactuur of desgevallend een verzendingsstuk meer hoeft te worden voorgelegd aan de administratie belast met douane en accijnzen, maar dat in de plaats daarvan in de overeenkomstig de douanereglementering ingediende aangifte ten uitvoer een verwijzing moet worden opgenomen naar de verkoopfactuur of, bij ontstentenis van een verkoopfactuur, naar een verzendingsstuk met betrekking tot de uitgevoerde goederen dat alle gegevens van een verkoopfactuur bevat (artikel 2, eerste lid, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 18)

- wanneer de verkoopfactuur de hoeveelheid en de gewone benaming van de uitgevoerde goederen niet vermeldt, wordt de factuur niet aangevuld met die gegevens maar wordt eveneens een verzendingsstuk opgesteld waarop die gegevens voorkomen. Een referentie naar dat verzendingsstuk wordt opgenomen in de overeenkomstig de douanereglementering ingediende aangifte ten uitvoer met betrekking tot de uitgevoerde goederen (artikel 7, tweede lid, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 18)

- de verkoper legt op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie belast met douane en accijnzen, de verkoopfactuur of het verzendingsstuk voor (artikel 2, tweede lid, nieuw en artikel 7, tweede lid, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 18).

5. Onttrekkingen van voedingsmiddelen en levensnoodzakelijke niet-voedingsmiddelen andere dan goederen die op duurzame wijze kunnen worden gebruikt, met het oog op het verstrekken ervan voor liefdadigheidsdoeleinden

5.1. Reglementaire bepalingen

Artikel 14 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 luidt als volgt:

'In artikel 3, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 59 van 18 mei 2020 met betrekking tot de onttrekking van handelsgeschenken van geringe waarde en de onttrekking voor liefdadigheidsdoeleinden van voedingsmiddelen en levensnoodzakelijke niet-voedingsmiddelen andere dan goederen die op duurzame wijze kunnen worden gebruikt, wat de belasting over de toegevoegde waarde betreft, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 oktober 2022, wordt de bepaling onder a) vervangen als volgt:

"a) de houdbaarheidsdatum van het goed verstrijkt ten laatste:

- dertig dagen na de onttrekking van het goed;

- zes maanden na de onttrekking van het lang of zeer lang houdbare voedingsmiddel door andere belastingplichtigen dan die welke in hoofdzaak die goederen rechtstreeks aan de consument leveren;".'

Artikel 15 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 luidt als volgt:

'In artikel 5, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit, wordt de bepaling onder 5° vervangen als volgt:

"5° een vermelding dat de om niet verstrekte goederen beantwoorden aan één van de in artikel 3, eerste lid, 2°, bedoelde voorwaarden;".'

Artikel 16 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 luidt als volgt:

'In artikel 9, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit, wordt de bepaling onder 5° vervangen als volgt:

"5° een vermelding dat de om niet verstrekte goederen beantwoorden aan één van de in artikel 7, 2°, bedoelde voorwaarden;".'

5.2. Commentaar

Deze wijziging heeft tot doel om, enerzijds, de voorwaarden te versoepelen waaronder ondernemingen om niet levensmiddelen kunnen verstrekken voor liefdadigheidsdoeleinden zonder fiscale correctie van het voordien uitgeoefende recht op aftrek en, anderzijds, de administratieve formaliteiten die met dergelijke schenkingen gepaard gaan enigszins te vereenvoudigen.

Die vereenvoudiging heeft overigens zowel betrekking op schenkingen voor liefdadigheidsdoeleinden van levensmiddelen als op dergelijke schenkingen van andere levensnoodzakelijke goederen die niet op duurzame wijze kunnen worden gebruikt.

Wat de levensmiddelen betreft, is binnen de betrokken sectoren gebleken dat de voorwaarde van de onmogelijkheid tot verkoop tegen normale commercialiseringsvoorwaarden, in het bijzonder wanneer die gebonden is aan het feit dat de houdbaarheidsdatum van het goed ten laatste vijftien dagen na de datum van de onttrekking ervan verstrijkt, te beperkend is. Volgens de sector van de groothandel moet immers rekening worden gehouden met de tijd die nodig is voor de logistieke handelingen die vereist zijn om die goederen tot bij de betrokken liefdadigheidsorganisaties te krijgen. Die handelingen nemen dienovereenkomstig een deel van die termijn van vijftien dagen in beslag, aangezien de levensmiddelen nog steeds geschikt moeten zijn voor consumptie wanneer ze via de liefdadigheidsorganisaties in het stadium van het eindverbruik terechtkomen.

Meer in het algemeen blijkt dat heel wat verdelers van levensmiddelen, gelet op die relatief korte termijn, er de voorkeur aan geven die goederen gewoonweg te vernietigen. Op die manier worden de mogelijkheden voor liefdadigheidsorganisaties om over voldoende voedselvoorraden te beschikken voor de uitvoering van hun opdracht aangetast.

Daarom heeft de Regering besloten de maximale termijn tussen het tijdstip van onttrekking van dergelijke levensmiddelen voor liefdadigheidsdoeleinden en de uiterste datum waarop het goed nog kan worden verhandeld, te verlengen. Er wordt daarbij een dubbel onderscheid gemaakt, enerzijds afhankelijk van de houdbaarheid van het goed en anderzijds tussen kleinhandelszaken en de voorgaande schakels in de handelsketen, rekening houdend met de geldende handelspraktijken en de variabele opslagduur van die goederen in de verschillende stadia van de handelsketen (producent, aankoopcentrales, verdelers).

Wat betreft het onderscheid op basis van de houdbaarheid van levensmiddelen, wordt verwezen naar de criteria die door het FAVV zijn opgesteld met betrekking tot voedseldonaties, met name in de Omzendbrief betreffende donaties van levensmiddelen van 23 maart 2023 onder referentie PCCB/S3/1771678 (https://favv-afsca.be/sites/default/files/2023-07/20230323_Omzendbriefbetreffendedonatiesvanlevensmiddelen_v1_NL.pdf). Deze omzendbrief maakt een onderscheid tussen goederen op basis van hun houdbaarheid: zeer lang (bijv. suiker, bloem, koffie, droge pasta, rijst, conserven in blik), lang (bijv. oliën, gesteriliseerde melk, granen, harde kazen), beperkt (bijv. brood, boter, yoghurt, zachte kazen) of kort (bijv. vlees, eieren, vers fruit en groenten).

Concreet vervangt artikel 14 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 artikel 3, eerste lid, 2°, a), van het koninklijk besluit nr. 59, waarbij de huidige termijn van vijftien dagen (tussen de onttrekking en het tijdstip waarop de houdbaarheidsdatum van het goed verstrijkt) wordt vervangen door de volgende, dubbele termijn:

- een standaardtermijn van maximaal dertig dagen (van toepassing enerzijds voor alle levensmiddelen met een beperkte of korte houdbaarheid en anderzijds voor alle levensmiddelen onttrokken door belastingplichtigen die deze goederen hoofdzakelijk rechtstreeks aan consumenten verkopen)

- voor de andere belastingplichtigen (namelijk de producenten en de tussenpersonen in de distributieketen): maximaal zes maanden voor lang of zeer lang houdbare voedingsmiddelen.

Die verruimde termijn zal de betrokken ondernemingen in staat stellen om op meer systematische wijze processen te implementeren voor verstrekkingen om niet voor liefdadigheidsdoeleinden, waardoor voedselbanken en soortgelijke organisaties verzekerd zijn van voldoende middelen voor de uitvoering van hun missie ter ondersteuning van de meest behoeftigen.

Tot slot brengen de artikelen 15 en 16 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 een kleine vereenvoudiging in de documentatieverplichtingen van belastingplichtigen die levensmiddelen of niet-levensmiddelen schenken voor liefdadigheidsdoeleinden.

De artikelen 5, § 1, eerste lid en 9, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 59 voorzien erin dat bij schenkingen van voedingsmiddelen of niet-voedingsmiddelen onder de voorwaarden van dat koninklijk besluit, de belastingplichtige schenker een document in tweevoud moet opmaken dat verschillende vermeldingen bevat waaronder 'de […] reden waarom de goederen niet meer kunnen verkocht worden tegen de normale commercialisatievoorwaarden'.

Het blijkt dat voor een onderneming de identificatie van de precieze reden waarom de schenking wettelijk mogelijk is, vaak niet evident is. Die redenen kunnen immers uiteenlopend van aard zijn: de uiterste datum waarop het goed nog kan worden gecommercialiseerd is nabij, de verpakking van het goed is beschadigd of is niet in overeenstemming met de commercialisatiestandaard, het goed beantwoordt niet aan de door de producent vastgestelde productiestandaard of de gebruikelijke commercialisatieperiode van het goed is verlopen. Bovendien vormt het gebruik van een gestandaardiseerde vermelding op administratief en boekhoudkundig vlak een niet verwaarloosbare vereenvoudiging.

De artikelen 15 en 16 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 voeren aldus een administratieve vereenvoudiging in door te bepalen dat, voor elk type goed (levensmiddelen of niet-levensmiddelen), het document dat respectievelijk door de handelaar moet worden opgesteld eenvoudigweg de vermelding moet bevatten dat de om niet verstrekte goederen voldoen aan één van de voorwaarden die de onmogelijkheid tot het commercialiseren van die goederen onder normale omstandigheden betreffen, wat het mogelijk maakt dat die goederen worden geschonken voor liefdadigheidsdoeleinden zonder correctie van het voordien uitgeoefende recht op aftrek.

Voor een volledige commentaar met betrekking tot het stelsel dat van toepassing is op schenkingen voor het goede doel verwijzen we naar circulaire 2026/C/22 van 21.01.2026 betreffende het verstrekken voor liefdadigheidsdoeleinden van voedingsmiddelen en levensnoodzakelijke niet-voedingsmiddelen.

6. Technische wijzigingen in de nationale regelgeving

6.1. Reglementaire bepalingen

6.1.1. Wijzigingen van het koninklijk besluit nr. 1

Artikel 17 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 luidt als volgt:

'In artikel 14, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 december 2022, wordt de inleidende zin vervangen als volgt:

"De boekhouding van de belastingplichtigen, behalve van degenen die uitsluitend in artikel 8 en 8bis van het Wetboek bedoelde handelingen verrichten, bevat ten minste de volgende registers:".'

Artikel 18 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 luidt als volgt:

'In artikel 17, § 3, van hetzelfde besluit, hersteld bij het koninklijk besluit van 29 september 2024, worden de woorden "bedoeld in de artikelen 15, § 2, vierde lid, 21bis, § 2, 9°, vierde lid, 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid en 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde" telkens vervangen door de woorden "de voorafgaande kennisgevingen en de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit inzake belasting over de toegevoegde waarde".'

6.1.2. Wijziging van het koninklijk besluit nr. 2

Artikel 19 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 luidt als volgt:

'In artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 2 van 19 december 2018 met betrekking tot de forfaitaire regeling inzake belasting over de toegevoegde waarde, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 december 2023, worden de woorden "bedoeld in de artikelen 15, § 2, vierde lid, 21bis, § 2, 9°, vierde lid, 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid en 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde" telkens vervangen door de woorden "de voorafgaande kennisgevingen en de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit inzake belasting over de toegevoegde waarde".'

6.1.3. Wijzigingen van het koninklijk besluit nr. 3

Artikel 20 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 luidt als volgt:

'In artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969, met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, opgeheven bij het koninklijk besluit van 31 maart 1978, hersteld bij het koninklijk besluit van 17 december 2023 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 december 2024, worden de woorden "bedoeld in de artikelen 15, § 2, vierde lid, 21bis, § 2, 9°, vierde lid, 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid en 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde" telkens vervangen door de woorden "de voorafgaande kennisgevingen en de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit inzake belasting over de toegevoegde waarde".'

Artikel 21 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 luidt als volgt:

'In artikel 18bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 oktober 2022 en laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 december 2024, worden de woorden "bedoeld in de artikelen 15, § 2, vierde lid, 21bis, § 2, 9°, vierde lid, 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid en 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde" telkens vervangen door de woorden "de voorafgaande kennisgevingen en de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit inzake belasting over de toegevoegde waarde".'

Artikel 22 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 luidt als volgt:

'In artikel 18ter, § 2, vierde lid van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 oktober 2022, worden de woorden "bedoeld in de artikelen 15, § 2, vierde lid, 21bis, § 2, 9°, vierde lid, 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid en 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde" vervangen door de woorden "de voorafgaande kennisgevingen en de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit inzake belasting over de toegevoegde waarde".'.

6.1.4. Wijzigingen van het koninklijk besluit nr. 4

Artikel 23 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 luidt als volgt:

'In artikel 8/1, § 1, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij het koninklijk besluit van 29 september 2024, worden de woorden "bedoeld in de artikelen 15, § 2, vierde lid, 21bis, § 2, 9°, vierde lid, 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid en 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde" vervangen door de woorden "de voorafgaande kennisgevingen en de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit inzake belasting over de toegevoegde waarde'.

Artikel 24 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 luidt als volgt:

'In artikel 12, § 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 14 april 2009 en laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 29 september 2024, worden de woorden "bedoeld in de artikelen 15, § 2, vierde lid, 21bis, § 2, 9°, vierde lid, 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid en 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde" vervangen door de woorden "de voorafgaande kennisgevingen en de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit inzake belasting over de toegevoegde waarde".'

6.1.5. Wijziging van het koninklijk besluit nr. 10

Artikel 25 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 luidt als volgt:

'In het opschrift van het koninklijk besluit nr. 10 van 29 december 1992 met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikelen 15, § 2, vierde lid, 21bis, § 2, 9°, vierde lid, 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid en 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 29 juni 2021, worden de woorden "bedoeld in de artikelen 15, § 2, vierde lid, 21bis, § 2, 9°, vierde lid, 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid en 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde" vervangen door de woorden "de voorafgaande kennisgevingen en de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit inzake belasting over de toegevoegde waarde".'

6.1.6. Wijziging van het koninklijk besluit nr. 19

Artikel 26 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 luidt als volgt:

'In artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 19 van 15 december 2024 met betrekking tot de vrijstellingsregeling van belasting over de toegevoegde waarde in het voordeel van kleine ondernemingen, worden de woorden "bedoeld in de artikelen 15, § 2, vierde lid, 21bis, § 2, 9°, vierde lid, 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid en 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde" vervangen door de woorden "de voorafgaande kennisgevingen en de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit inzake belasting over de toegevoegde waarde".'.

6.1.7. Wijzigingen van het koninklijk besluit nr. 22

Artikel 27 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 luidt als volgt:

'In artikel 8 van het koninklijk besluit nr. 22 van 15 september 1970 met betrekking tot de bijzondere regeling voor landbouwondernemers inzake belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij het koninklijk van 27 december 2021 en laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 december 2024, worden de woorden "bedoeld in de artikelen 15, § 2, vierde lid, 21bis, § 2, 9°, vierde lid, 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid en 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde" vervangen door de woorden "de voorafgaande kennisgevingen en de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit inzake belasting over de toegevoegde waarde".'

Artikel 28 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 luidt als volgt:

'In artikel 9 van hetzelfde besluit, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 december 2023, worden de woorden "bedoeld in de artikelen 15, § 2, vierde lid, 21bis, § 2, 9°, vierde lid, 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid en 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde" telkens vervangen door de woorden "de voorafgaande kennisgevingen en de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit inzake belasting over de toegevoegde waarde".'

6.1.8. Wijzigingen van het koninklijk besluit nr. 41

Artikel 29 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 luidt als volgt:

'In afdeling 1 van tabel G van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 29 september 2024, wordt de bepaling onder Ibis vervangen als volgt:

“Ibis. Gehele of gedeeltelijke niet-betaling of niet-tijdige betaling van de verschuldigde belasting waarvan de opeisbaarheid blijkt uit de ingediende aangifte bedoeld in de artikelen 58ter, § 6, 58quater, § 6 en 58quinquies, § 6, van het Wetboek of uit de ingediende aangifte bedoeld in de artikelen 364, 369 septies en 369 vicies van Richtlijn 2006/112/EG, en die nog verschuldigd blijft de tiende dag van de tweede maand die volgt op het aangiftetijdvak waarvoor de aangifte werd ingediend.

10 pct. van de verschuldigde belasting”.

Artikel 30 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 luidt als volgt:

'In de bepaling onder 5 van rubriek VIII van afdeling 2 van tabel G van de bijlage bij hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 29 juni 2021, wordt het eerste lid vervangen als volgt:

“Inbreuken in verband met het toepassen van de in artikel 5, § 3, van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde verleggingsregeling of met het ten onrechte inroepen van die regeling.”.'

6.1.9. Wijziging van het koninklijk besluit nr. 44

Artikel 31 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 luidt als volgt:

'In de bepaling onder A van afdeling 2, II, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 44 van 9 juli 2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij het koninklijk besluit van 11 mei 2017, worden de woorden "in de horecasector" opgeheven.'

6.1.10. Wijziging van het koninklijk besluit nr. 53

Artikel 32 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 luidt als volgt:

'Artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 53 van 23 december 1994 met betrekking tot de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten wordt opgeheven.'

6.2. Commentaar

6.2.1. Boekhoudkundige verplichtingen van de in artikel 8 van het Btw-Wetboek bedoelde occasionele belastingplichtigen

Artikel 17 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 wijzigt artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 1. Die bepaling heeft betrekking op de boekhoudkundige verplichtingen van de belastingplichtigen.

Paragraaf 2 van deze bepaling bepaalt welke boeken deze boekhouding met name moet bevatten. Het gaat om het boek voor inkomende facturen en het boek voor uitgaande facturen alsook, desgevallend, het dagboek van ontvangsten en het centralisatiedagboek van ontvangsten (voor belastingplichtigen die over meerdere vestigingen beschikken waarvoor elk afzonderlijk een dagboek van ontvangsten moet worden bijgehouden).

De inleidende zin van paragraaf 2 heeft betrekking op de boekhouding van de belastingplichtigen in het algemeen met uitzondering van de in artikel 8bis van het Btw-Wetboek bedoelde occasionele belastingplichtigen van rechtswege. Dezelfde uitsluiting zou ook moeten gelden voor de in artikel 8 van het Btw-Wetboek bedoelde occasionele belastingplichtigen bij wijze van optie.

Daarom vervangt artikel 17 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 die inleidende zin door ook belastingplichtigen die uitsluitend in artikel 8 van het Btw-Wetboek bedoelde handelingen verrichten van die boekhoudkundige verplichtingen uit te sluiten.

6.2.2. Aanpassing van de verwijzingen naar het opschrift van koninklijk besluit nr. 10

De wijzigingen die door de artikelen 18 tot en met 28 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 worden aangebracht, zijn allemaal van dezelfde aard. Ze hebben tot doel in elk van de gewijzigde bepalingen de verwijzing naar het opschrift van koninklijk besluit nr. 10 aan te passen.

Het opschrift (oud) van koninklijk besluit nr. 10 verwijst onder meer naar een aantal mogelijke keuzen inzake belasting over de toegevoegde waarde. Het betreft in het bijzonder de keuze inzake de plaatsbepaling van leveringen van intracommunautaire afstandsverkopen van goederen vanuit België (artikel 15, § 2, vierde lid, van het Btw-Wetboek), de keuze inzake de plaatsbepaling van telecommunicatiediensten, radio- en televisieomroepdiensten en langs elektronische weg verrichte diensten (artikel 21bis, § 2, 9°, vierde lid, van het Btw-Wetboek), de keuze inzake belastingheffing op intracommunautaire verwervingen (artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid, van het Btw-Wetboek) en de keuze tot belastingheffing op de verhuur van een gebouw (artikel 44, § 3, 2°, d), van het Btw-Wetboek).

Teneinde te vermijden dat het opschrift van het koninklijk besluit nr. 10 moet worden gewijzigd telkens er wordt voorzien in een bijkomende keuze inzake belasting over de toegevoegde waarde, wordt het opschrift van dat besluit in meer algemene bewoordingen opgemaakt.

Het opschrift van het koninklijk besluit nr. 10 verwijst voortaan naar de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, de voorafgaande kennisgevingen en de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit inzake belasting over de toegevoegde waarde.

Deze identieke wijziging betreft de volgende bepalingen:

- artikel 17, § 3, van het koninklijk besluit nr. 1 (artikel 18 van het koninklijk besluit van 17.12.2025)

- artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 2 (artikel 19 van het koninklijk besluit van 17.12.2025)

- artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 3 (artikel 20 van het koninklijk besluit van 17.12.2025)

- artikel 18bis van het koninklijk besluit nr. 3 (artikel 21 van het koninklijk besluit van 17.12.2025)

- artikel 18ter, § 2, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 3 (artikel 22 van het koninklijk besluit van 17.12.2025)

- artikel 81, § 1, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 4 (artikel 23 van het koninklijk besluit van 17.12.2025)

- artikel 12, § 1, van het koninklijk besluit nr. 4 (artikel 24 van het koninklijk besluit van 17.12.2025)

- het opschrift zelf van het koninklijk besluit nr. 10 (artikel 25 van het koninklijk besluit van 17.12.2025)

- artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 19 (artikel 26 van het koninklijk besluit van 17.12.2025)

- artikel 8 van het koninklijk besluit nr. 22 (artikel 27 29 van het koninklijk besluit van 17.12.2025)

- artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 22 (artikel 28 30 van het koninklijk besluit van 17.12.2025).

6.2.3. Aanpassing van bepalingen van proportionele en niet-proportionele fiscale geldboeten

6.2.3.1. Niet-betaling of niet tijdige betaling in het kader van OSS

Artikel 29 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 brengt een louter technische correctie aan in punt Ibis van afdeling 1 van tabel G van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41.

Dit punt heeft betrekking op de proportionele fiscale geldboete die verschuldigd is in geval van niet-betaling of niet-tijdige betaling van de verschuldigde belasting waarvan de opeisbaarheid blijkt uit de in het kader van het één-loket-systeem (One Stop Shop) ingediende aangiften en die wanneer ze in België worden ingediend, worden bedoeld in de artikelen 58ter, § 6, 58quater, § 6, en 58quinquies, § 6, van het Btw-Wetboek.

Dit betreft de aangiften die moeten worden ingediend door belastingplichtigen in het kader van de bijzondere regelingen OSS (Unie-regeling, niet-Unie-regeling en invoerregeling in het kader van het één-loket-systeem) voor de aangifte en de betaling van de verschuldigde belasting op de specifieke handelingen die binnen het toepassingsgebied van die bijzondere regelingen vallen.

De geldboete waarin dit punt Ibis voorziet, heeft betrekking op de Belgische btw die niet is betaald door die belastingplichtigen, ongeacht of deze btw voortvloeit uit de indiening van een dergelijke aangifte in België of van de indiening, in het kader van het één-loket-systeem, van een dergelijke aangifte in een andere lidstaat dan België (d.w.z. in de lidstaat van identificatie van de belastingplichtige in het kader van dat systeem). De huidige tekst van dat punt Ibis heeft alleen betrekking op in België ingediende aangiften (i.e. de gevallen waarin België lidstaat van identificatie is).

Indien een belastingplichtige de in België verschuldigde belasting echter niet betaalt als gevolg van een dergelijke aangifte in het één-loket-systeem in een andere lidstaat (in het geval die andere lidstaat de lidstaat van identificatie is), zal de Belgische administratie de in België verschuldigde bedragen invorderen. In voorkomend geval zal ze daartoe een uitvoerbare titel uitvaardigen. In beide gevallen zal op die bedragen een proportionele geldboete van 10 % verschuldigd zijn.

Om elke twijfel weg te nemen over de toepassing van deze proportionele geldboete in die verschillende gevallen, moet de tekst van punt Ibis worden aangevuld om zowel te verwijzen naar de in België ingediende aangiften in het kader van het één-loket-systeem als naar de in andere lidstaten ingediende aangiften in het kader van datzelfde systeem, zoals geïmplementeerd door die lidstaten.

Die bepaling moet daarom worden aangevuld met een verwijzing naar de artikelen van Richtlijn 2006/112/EG die betrekking hebben op die verschillende periodieke aangiften in het kader van het één-loket-systeem, namelijk artikel 364 (aangifte in het kader van de niet-Unie-regeling), artikel 369septies (aangifte in het kader van de Unieregeling) en artikel 369vicies (aangifte in het kader van de invoerregeling binnen het één-loket-systeem) van Richtlijn 2006/112/EG.

6.2.3.2. Verlegging van de heffing bij invoer

Artikel 30 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 wijzigt de formulering van de bepaling onder punt 5 van rubriek VIII van afdeling 2 van tabel G van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41.

Die bepaling heeft betrekking op de schaal van de proportionele fiscale geldboete in geval van inbreuken begaan in het kader van de regeling voor verlegging van heffing van de bij invoer verschuldigde belasting door een belastingplichtige die ertoe gehouden is om periodieke btw-aangiften in te dienen.

Deze bijzondere regeling voor verlegging van de heffing maakt het de belastingplichtige die btw bij invoer verschuldigd is mogelijk om die verschuldigde belasting te betalen door die in zijn periodieke aangifte op te nemen in plaats van deze aan de douane te betalen, mits hij daarvoor over een vergunning beschikt ('E.T.14.000'). Deze regeling biedt dergelijke belastingplichtigen een daadwerkelijk voordeel in termen van voorfinanciering van die bij invoer verschuldigde belasting, aangezien ze doorgaans die belasting in aftrek kunnen brengen.

Deze regeling kan evenwel aanleiding geven tot bepaalde overtredingen. Het kan onder meer gaan om de volgende situaties:

- de belastingplichtige past deze regeling toe bij de invoer, maar voldoet niet aan de voorwaarden voor de toepassing ervan (bijvoorbeeld omdat hij niet over de vereiste vergunning beschikt)

- de belastingplichtige past deze regeling toe bij de invoer en geeft de maatstaf van heffing van de invoer aan in zijn periodieke btw-aangifte maar geeft evenwel geen verschuldigde belasting (maar alleen de aftrekbare belasting) aan in die aangifte

- de belastingplichtige past deze regeling toe bij de invoer en geeft in zijn periodieke btw-aangifte noch de maatstaf van heffing bij invoer, noch enige (verschuldigde of aftrekbare) belasting aan.

Voor al die inbreuken in verband met die regeling voor verlegging van heffing is een geldboete verschuldigd van 5 of 10 % van de verschuldigde belasting waarvoor de regeling van verlegging van heffing onrechtmatig werd toegepast of ingeroepen (al naargelang die belasting voor de gecontroleerde periode al dan niet het bedrag van 1.250 euro bereikt).

Zowel de (oude) Franse als de (oude) Nederlandse tekst kon enige twijfel doen ontstaan omtrent de toepassing van die boete op al die situaties. De formulering van het eerste lid van de bepaling onder punt 5 van rubriek VIII van afdeling 2 van tabel G van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41 zou namelijk de indruk kunnen wekken dat in het Frans de term 'à tort' zowel op het toepassen als op het inroepen van de verleggingsregeling van toepassing is, terwijl in de Nederlandse versie de term 'onrechtmatig' alleen betrekking zou hebben op het 'toepassen'. In werkelijkheid is deze boete verschuldigd telkens wanneer deze regeling hetzij onjuist wordt toegepast, hetzij 'ten onrechte' wordt ingeroepen, en dat in beide taalversies. De formulering wordt aldus licht aangepast om die nuance ondubbelzinnig weer te geven. Bovendien wordt de terminologie in de Franse en de Nederlandse versie beter op elkaar afgestemd door in de Nederlandse versie 'ten onrechte' (in plaats van 'onrechtmatig') te hanteren als vertaling van 'à tort'.

Artikel 30 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 verduidelijkt daarom de maximale reikwijdte van deze bepaling door erin te voorzien dat de bedoelde boete van toepassing is op alle 'inbreuken in verband met het toepassen van de in artikel 5, § 3, van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde verleggingsregeling of met het ten onrechte inroepen van die regeling'.

6.2.3.3. Boete voor het niet houden van een geregistreerd kassasysteem

Overeenkomstig artikel 21bis, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1, zijn bepaalde belastingplichtigen, onder bepaalde voorwaarden, ertoe gehouden aan de belastingplichtige of niet-belastingplichtige klant een kasticket uit te reiken bedoeld in het koninklijk besluit van 30.12.2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen (BS 31.12.2009, ed. 3).

Artikel 1 van het koninklijk besluit van 24.04.2024 tot wijziging van het koninklijk besluit van 30.12.2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen (BS 21.05.2024) heeft in het opschrift van dit koninklijk besluit de woorden 'in de horecasector' opgeheven om de toepassing van het geregistreerd kassasysteem te kunnen uitbreiden naar andere sectoren.

Artikel 31 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 past de bepaling onder A van afdeling 2, II, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 44 in de vereiste zin aan.

6.2.4. Vaststelling van de omzet voor de leveringen van goederen onderworpen aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge

Artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 53 bepaalt dat 'Voor de leveringen van goederen onderworpen aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge […] de omzet [wordt] gevormd door de totale winstmarge die de belastingplichtige wederverkoper realiseert in de loop van een jaar, verminderd met het bedrag van de belasting die in de winstmarge is begrepen.'. In werkelijkheid is deze opvatting van de omzet onjuist, omdat de omzet noodzakelijkerwijs bestaat uit het totale bedrag van de door de belastingplichtige verrichte uitgaande handelingen. Het feit dat deze omzet geheel of gedeeltelijk wordt gerealiseerd onder de regeling van de winstmarge, doet geen afbreuk aan dit beginsel.

De vaststelling van de omzet is bijzonder belangrijk in het kader van de toepassing van de bijzondere vrijstellingsregeling van belasting waarin de artikelen 56bis tot en met 56undecies van het Btw-Wetboek voorzien.

Artikel 56bis, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek definieert overigens 'jaaromzet in België' als 'het totale jaarlijkse bedrag van de leveringen van goederen en diensten, exclusief btw, die door een belastingplichtige gedurende een kalenderjaar in België worden verricht', ongeacht welke belastingregeling de belastingplichtige geniet.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft deze analyse overigens bevestigd in zijn arrest van 29.07.2019, zaak C-388/18, B., EU:C:2019:642, waarin het voor recht heeft verklaard dat:

'Artikel 288, eerste alinea, punt 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling of bestuurspraktijk op grond waarvan bij de berekening van de omzet die als maatstaf dient voor de toepasselijkheid van de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen op een belastingplichtige die onder de bijzondere winstmargeregeling voor belastingplichtige wederverkopers valt, overeenkomstig artikel 315 van die richtlijn uitsluitend rekening wordt gehouden met de gerealiseerde winstmarge. Die omzet moet worden vastgesteld op basis van alle door die belastingplichtige wederverkoper ontvangen of te ontvangen bedragen, de belasting over de toegevoegde waarde niet inbegrepen, ongeacht de wijze waarop die bedragen daadwerkelijk zullen worden belast.'

De administratie past deze rechtspraak sindsdien ook toe.

Derhalve heft artikel 32 van het koninklijk besluit van 17.12.2025 artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 53, dat irrelevant is geworden, op.

7. Inwerkingtreding

Het koninklijk besluit van 17.12.2025 treedt in werking op de tiende dag na de publicatie in het Belgisch Staatsblad, d.w.z. op 10.01.2026.

Hoofdstuk 4 ('Gestructureerde elektronische facturen') van dat besluit treedt evenwel in werking op 01.01.2026.

Artikel 11 (dat artikel 4 van het koninklijk besluit van 8 juli 2025 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 8 en 44 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde wat gestructureerde elektronische facturen betreft opheft) van dat besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking van het besluit in het Belgisch Staatsblad, d.w.z. op 31.12.2025.

Interne ref.: 142.761

Mots clés