
De Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen publiceerde op 07/01/2026 de Circulaire 2026/C/9 betreffende CBAM-goederen en -veredelingsproducten die naar het continentaal plat of de exclusieve economische zone van lidstaten worden gebracht.
4.1. De toegelaten CBAM-aangever
4.2. CBAM-goederen en CBAM-veredelingsproducten
4.3. Het continentaal plat en de exclusieve economische zone (EEZ)
5.1. Een ‘invoer’ voor CBAM-doeleinden
B. De aanzuiveringsafrekening (bill of discharge)
5.3. Bijkomende verplichte vermeldingen in de douaneaangiften
8. Inwerkingtreding en diverse
Bijlage 1 - Aangifte van ontvangst
Bijlage 2 - Déclaration de réception
Bijlage 3 - Erklärung zum Erhalt
§1. De Verordening (EU) 2023/956 van 10 mei 2023 van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een mechanisme van koolstofgrenscorrectie (hierna CBAM-Verordening) stelt een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie in, met als doel de broeikasgasemissies die ingebed zijn in de in bijlage I van die Verordening vermelde goederen aan te pakken bij hun invoer in het douanegebied van de Unie. In het Engels spreekt men van het Carbon Border Adjustment Mechanism of, afgekort, het CBAM. Het is een van de maatregelen in de Green Deal die erop gericht zijn de koolstoflekkage, die plaatsvindt wanneer de productie van koolstofintensieve goederen en de erbij horende CO2-uitstoot worden verplaatst naar derde landen met minder ambitieuze milieunormen, tot een minimum te beperken.
De definitieve fase van het CBAM treedt in werking op 1 januari 2026.
§2. Overeenkomstig artikel 2, lid 1 en 2, van de Verordening (EU) 2023/956, is het CBAM van toepassing op:
1. de in bijlage I bij deze Verordening vermelde goederen van oorsprong uit een derde land, wanneer die goederen, of uit die goederen voortkomende veredelingsproducten in het kader van de in artikel 256 van Verordening (EU) nr. 952/2013 bedoelde regeling actieve veredeling, in het douanegebied van de Unie worden ingevoerd;
2. de in bijlage I bij deze Verordening vermelde goederen van oorsprong uit een derde land, wanneer die goederen, of uit die goederen voortkomende veredelingsproducten in het kader van de in artikel 256 van Verordening (EU) nr. 952/2013 bedoelde regeling actieve veredeling, naar een kunstmatig eiland, een vaste of drijvende structuur of iedere andere structuur op het continentaal plat of in de exclusieve economische zone van een lidstaat in de onmiddellijke nabijheid van het douanegebied van de Unie worden gebracht.
Summier samengevat, gelden de CBAM-verplichtingen dus in twee gevallen:
1° wanneer CBAM-goederen of -veredelingsproducten, van oorsprong uit een derde land, in het douanegebied van de Unie in het vrije verkeer worden gebracht;
2° wanneer CBAM-goederen of -verdelingsproducten, van oorsprong uit een derde land, naar een kunstmatig eiland of een structuur op het continentaal plat of in de EEZ van een lidstaat worden gebracht.
§3. LET OP! In België is de Federale Overheidsdienst (FOD) Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, Directoraat-generaal Leefmilieu, de bevoegde autoriteit voor het CBAM zodat zij ook als enige bevoegd zijn voor de interpretatie en becommentariëring van de CBAM-regelgeving in België. Voor wat betreft de toepassing van de Douanereglementering, het Douanewetboek van de Unie en de douaneformaliteiten, blijft de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen echter de enige wettelijke bevoegde overheid.
§4. De Europese Wetgever voorziet evenwel, middels de Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2210 van de Commissie van 31 oktober 2025 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad voor goederen en veredelingsproducten die naar het continentaal plat of de exclusieve economische zone van lidstaten worden gebracht, in een aantal nieuwe, aanvullende, formaliteiten die bij de douaneautoriteiten moeten worden volbracht.
§5. Deze circulaire beperkt zich dan ook tot de toelichting van die aanvullende formaliteiten die bij de Douane moeten worden volbracht wanneer CBAM-goederen of -veredelingsproducten naar een kunstmatig eiland of een structuur op het continentaal plat of in de exclusieve economische zone van een lidstaat worden gebracht (wanneer die goederen of producten vanuit het douanegebied van de Unie naar voornoemde gebieden worden gebracht, is er op basis van het Douanewetboek van de Unie echter sprake van een uitvoer).
§6. Afhankelijk van de concrete omstandigheden gaat het om het indienen van een aangifte van ontvangst of om de vermelding van bijkomende gegevens in een aanzuiveringsafrekening (zie titel 5.2).
§7. De wettelijke bepalingen die van belang zijn voor deze circulaire zijn:
De Europese regelgeving is raadpleegbaar op de officiële website voor het EU-recht, EUR-Lex (https://eur-lex.europa.eu/), die beheerd wordt door het Publicatiebureau van de Europese Unie. De Belgische regelgeving is raadpleegbaar op de website van het Belgisch Staatsblad (https://www.ejustice.just.fgov.be/).
Opgelet! Aangezien regelgeving in de loop der tijd aan wijzigingen onderhevig kan zijn, wordt het ten zeerste aanbevolen om, via voormelde websites, regelmatig na te gaan of er wijzigingen zijn doorgevoerd en of er een geactualiseerde geconsolideerde versie van de regelgeving beschikbaar is.
§8. De volgende begrippen worden in artikel 3 van voornoemde Verordening (EU) 2023/956 gedefinieerd:
(1) In geval van actieve veredeling, is de indirecte vertegenwoordiging enkel mogelijk bij het aanzuiveren van de regeling actieve veredeling door middel van een aangifte voor wederuitvoer of in het vrije verkeer brengen (indirecte vertegenwoordiging is niet mogelijk bij het plaatsen onder actieve veredeling of een andere bijzondere regeling). Deze indirecte vertegenwoordiging vindt echter toepassing in een specifiek geval, namelijk dat van de buiten het douanegebied van de Unie gevestigde aangever ten wederuitvoer die niet onder de bepalingen van art. 170, lid 3, van het Douanewetboek van de Unie (DWU) valt. De aangifte tot wederuitvoer wordt niet door hem ingediend, maar door een in het douanegebied van de Unie gevestigde douanevertegenwoordiger die in eigen naam en voor rekening van de betrokken persoon handelt (indirecte vertegenwoordiging) (zie § 136 van de Circulaire 2022/C/110 van 1 december 2022 betreffende actieve veredeling en pagina’s 37-38 van het Guidance Document - SPECIAL PROCEDURES – Title VII UCC/ “Guidance for MSs and Trade” (raadpleegbaar via https://taxation-customs.ec.europa.eu/customs/union-customs-code/ucc-guidance-documents_en)).
§9. De volgende begrippen worden in artikel 1 van voornoemde Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2210 gedefinieerd:
§10. Om de leesbaarheid en het begrip van deze circulaire te vergemakkelijken, worden onderstaande afkortingen gebruikt:
§11. Ter ondersteuning van de interpretatie van het deze circulaire, worden hieronder een aantal begrippen kort toegelicht.
§12. Vanaf 1 januari 2026 mogen CBAM-goederen alleen nog door toegelaten CBAM-aangevers in het douanegebied van de Europese Unie worden ingevoerd (artikel 25, lid 1, van de CBAM-Verordening), behalve indien een vrijstelling van toepassing is. Dit is de importeur zelf of, in bepaalde gevallen, de indirecte douanevertegenwoordiger.
§13. Artikel 2bis van de CBAM-Verordening voorziet echter in een de minimisvrijstelling voor importeurs, met inbegrip van importeurs met de status van toegelaten CBAM-aangever, indien de nettomassa van de door de importeur ingevoerde goederen in een bepaald kalenderjaar niet cumulatief de in punt 1 van bijlage VII van de CBAM-Verordening vastgestelde unieke op massa gebaseerde drempelwaarde overschrijdt (thans is deze drempelwaarde op 50 ton vastgesteld). Importeurs die de drempel niet overschrijden, zijn vrijgesteld van de CBAM-verplichtingen en moeten zich niet laten registreren als toegelaten CBAM-aangever. Deze vrijstelling geldt echter niet voor de invoer van elektriciteit of waterstof.
§14. De status van toegelaten CBAM-aangever moet worden aangevraagd door (zie artikel 5 van de CBAM-Verordening):
§15. De toelatingsaanvraag voor de status van toegelaten CBAM-aangever wordt ingediend via het CBAM-register, voorafgaand aan de eerste invoer van CBAM-goederen, bij de lidstaat van vestiging van de aanvrager.
§16. Als de status van toegelaten CBAM-aanvrager positief wordt beoordeeld, krijgt de aanvrager een uniek identificatienummer, het CBAM-rekeningnummer, dat in het CBAM-register wordt geregistreerd.
§17. Importeurs of indirecte douanevertegenwoordigers (in de zin van de CBAM-Verordening) die vragen hebben met betrekking tot de status van toegelaten CBAM-aangever, kunnen in een eerste instantie terecht op de website van de FOD Leefmilieu (https://klimaat.be/cbam). Voor verdere informatie of specifieke vragen kan contact worden opgenomen met de FOD Leefmilieu via e-mail: info.cbam@health.fgov.be.
§18. Het CBAM is van toepassing op de goederen die worden opgesomd in bijlage I van de CBAM-Verordening. Deze goederen zijn thans ingedeeld in de volgende categorieën:
1) gietijzer, ijzer en staal;
2) cement;
3) meststoffen;
4) aluminium;
5) elektriciteit;
6) chemische stoffen (waterstof).
In bijlage I van de CBAM-Verordening worden deze goederen duidelijk geïdentificeerd aan de hand van hun indeling in de gecombineerde nomenclatuur (GN).
§19. Veredelingsproducten die voortkomen uit CBAM-goederen n.a.v. de regeling actieve veredeling (artikel 256 van het DWU) vallen ook onder het CBAM. Het CBAM geldt dus ook wanneer de GN-code van het veredelingsproduct dat in het vrije verkeer wordt gebracht:
§20. De CBAM-Verordening is alleen van toepassing op goederen met niet-preferentiële oorsprong buiten het douanegebied van de Unie (met uitzondering van de in punt 1, van bijlage III van de CBAM-Verordening opgesomde derde landen en gebieden (2)) en die de douanestatus van niet-uniegoederen hebben.
(2) Op 1 januari 2026 betreft het: IJsland, Liechtenstein, Noorwegen, Zwitserland, Büsingen, Helgoland, Livigno, Ceuta en Melilla.
§21. Het juridisch statuut van een ‘continentaal plat’ en een ‘exclusieve economische zone’ worden beschreven in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (United Nations Convention on the Law of the Sea (UNCLOS), Montego Bay, 10 december 1982).
§22. Het continentale plat van een kuststaat omvat de zeebodem en de ondergrond van de onder water gelegen gebieden die zich buiten zijn territoriale zee uitstrekken door de natuurlijke voortzetting van zijn landterritorium tot de buitenste grens van de continentale rand, of tot een afstand van 200 zeemijl van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten wanneer de buitenste grens van de continentale rand zich niet tot die afstand uitstrekt (artikel 76, lid 1, van het UNCLOS).
§23. De EEZ van een kuststaat is een gebied buiten en grenzend aan de territoriale zee (…) en strekt zich niet verder uit dan 200 zeemijl van de basislijnen waarvan de breedte van de territoriale zee wordt gemeten (artikelen 55 en 57 van het UNCLOS).
§24. Deze twee gebieden liggen dus buiten de territoriale zee van een kuststaat.
§25. Voorbeelden van activiteiten die relevant zijn voor het CBAM en die in voornoemde gebieden kunnen plaatsvinden, zijn de bouw, het onderhoud en de exploitatie van:
§26. Betreffende het territorium van het continentaal plat en de EEZ van België, wordt verwezen naar de Wet van 22 april 1999 betreffende de exclusieve economische zone van België in de Noordzee (en de erbij horende koninklijke en ministeriële besluiten).
§27. Zowel het continentaal plat als de EEZ zijn gebieden die buiten het douanegebied van de Unie zijn gelegen. Voor meer uitleg over het begrip ‘douanegebied van de Unie’ wordt verwezen naar titel 2.1 van de Circulaire 2024/C/65 van 22 oktober 2024 betreffende de verschillende gebieden van de Europese Unie.
§28. Het CBAM is, ten eerste, van toepassing op CBAM-goederen en CBAM-veredelingsproducten die in het douanegebied van de Unie worden ingevoerd (in het vrije verkeer worden gebracht)(zie artikel 2, lid 1, van de CBAM-Verordening). Die situatie wordt hier niet verder besproken.
§29. Ten tweede, is het CBAM ook van toepassing wanneer CBAM-goederen of CBAM-veredelingsproducten naar een kunstmatig eiland, een vaste of drijvende structuur of iedere andere structuur op het continentaal plat of in de EEZ van een lidstaat worden gebracht (zie artikel 2, lid 2, eerste alinea, van de CBAM-Verordening). Voor de toepassing van het CBAM, wordt dit als een invoer aangemerkt.
§30. Het continentaal plat en de EEZ van de lidstaten maken echter geen deel uit van het douanegebied van de Unie. Zodus, maken goederen die vanuit het douanegebied van de Unie naar een kunstmatig eiland of een structuur op het continentaal plat of in de EEZ worden gebracht, douanematig het voorwerp uit van een (weder)uitvoer.
§31. Het CBAM geldt trouwens ook voor goederen die rechtstreeks vanuit een derde land naar een kunstmatig eiland of een structuur op het continentaal plat of in de EEZ van een lidstaat worden gebracht.
§32. Bijgevolg, diende de Commissie, krachtens artikel 2, lid 2, tweede alinea, van de CBAM-Verordening, voor die bijzondere situatie, uitvoeringshandelingen vast te stellen ‘met gedetailleerde voorwaarden voor de toepassing van het CBAM op die goederen, met name wat betreft de begrippen die hetzelfde betekenen als invoer in het douanegebied van de Unie en in het vrije verkeer brengen, wat betreft de procedures met betrekking tot het indienen van de CBAM-aangifte voor die goederen en de door de douaneautoriteiten uit te voeren controles’.
§33. Deze uitvoeringshandelingen maken het voorwerp uit van de CBAM-EEZ-Uitvoeringsverordening, die in deze circulaire wordt behandeld.
Hierna worden de mogelijke scenario’s besproken, alsook de na te leven aanvullende formaliteiten.
§34. De CBAM-EEZ-Uitvoeringsverordening maakt een onderscheid tussen:
§35. Opgelet: dit scenario geldt enkel voor CBAM-goederen, niet voor CBAM-veredelingsproducten (zie titel 5.2.3).
§36. In dit scenario worden de goederen vanuit het douanegebied van de Unie verzonden. Vóór hun verzending, kunnen de goederen in tijdelijke opslag zijn geplaatst dan wel onder een bijzondere douaneregeling (indien actieve veredeling zie titel 5.2.3 hierna).
§37. De ontvangst van CBAM-goederen op het continentaal plat of in de EEZ van de lidstaten van de Unie wordt, voor de toepassing van het CBAM, als een invoer aangemerkt (artikel 3 van de CBAM-EEZ-uitvoeringsverordening).
§38. De ontvanger van de goederen op het continentaal plat of in de EEZ wordt, voor de toepassing van de CBAM-Verordening, als de importeur (zoals gedefinieerd in de CBAM-Verordening) aangemerkt (zie artikel 2 van de CBAM-EEZ-uitvoeringsverordening).
§39. Die ontvanger moet de ontvangst van de CBAM-goederen aangeven door middel van een aangifte van ontvangst (zie artikel 4 van de CBAM-EEZ-uitvoeringsverordening). Die indiening moet onverwijld gebeuren, en uiterlijk binnen 30 dagen na ontvangst van de goederen, bij de douaneautoriteit van de lidstaat waartoe het continentaal plat of de EEZ behoort in. Die douaneautoriteiten verkeren volgens de Europese Commissie immers in de beste positie om controles uit te voeren.
§40. De gegevenselementen die de aangifte van ontvangst moet bevatten, worden vermeld in de bijlagen bij de CBAM-EEZ-uitvoeringsverordening. De aangifte van ontvangst wordt vergezeld van bewijsstukken die de gegevenselementen ondersteunen.
§41. Bij de ontvangst van de aangifte van ontvangst, zal de douane de geldigheid van het CBAM-rekeningnummer controleren.
§42. Voor CBAM-goederen die naar het continentaal plat of de EEZ van België worden verzonden, moet de aangifte van ontvangst bij de Belgische Douane worden ingediend aan de hand van een in te vullen PDF-formulier. Dit moet via de website van de FOD Financiën worden gedownload en is ook als bijlage bij deze circulaire gevoegd (zie bijlagen 1 tot en met 3).
§43. De CBAM-importeur (zijnde de ontvanger van de CBAM-goederen in het continentaal plat of EEZ) dient alle gevraagde gegevens in te vullen en het document op te slaan.
§44. De aangifte van ontvangst moet vervolgens onverwijld – en uiterlijk binnen 30 dagen na ontvangst van de goederen op het continentaal plat of in de EEZ - per e-mail naar het mailadres cbam.eez@minfin.fed.be worden gestuurd, tezamen met de nodige bewijsstukken die de op het PDF-formulier verstrekte gegevenselementen ondersteunen.
§45. Voor deze verplichting m.b.t. CBAM-goederen die naar het continentaal plat of de EEZ van België worden gebracht, is enkel het douanehulpkantoor van Zeebrugge bevoegd.
§46. De douane verifieert de geldigheid van het in de aangifte van ontvangst opgegeven CBAM-rekeningnummer. Vervolgens registreert de douane de ontvangst van die aangifte en reikt zij een ontvangstbevestiging via e-mail uit.
§47. De Belgische douane aanvaardt geen papieren indiening van de aangifte van ontvangst.
§48. De toegelaten CBAM-aangever moet een kopie van de aangifte van ontvangst aan zijn CBAM-aangifte voegen (zie artikel 10, lid 1, van de CBAM-EEZ-uitvoeringsverordening).
§49. Indien de CBAM-goederen naar het continentaal plat of in de EEZ van een andere lidstaat dan België worden gebracht, dient de importeur contact op te nemen met de nationale bevoegde autoriteit van die lidstaat om te informeren naar de wijze van indiening van de aangifte van ontvangst in die lidstaat. De lijst van de nationale bevoegde autoriteiten is gepubliceerd op de website van de Europese Commissie.
§50. Opgelet:
§51. Ook in dat geval moet de ontvanger van het CBAM-goed een aangifte van ontvangst indienen bij de douaneautoriteit van de lidstaat waartoe het continentaal plat of de EEZ behoort en dit hoewel er in deze situatie geen verplichting tot het indienen van een douaneaangifte geldt.
Er wordt verwezen naar de uitleg onder titel 5.2.1, hiervoor (scenario 1).
§52. Dit scenario heeft enkel betrekking op CBAM-veredelingsproducten.
§53. De wederuitvoer van CBAM-veredelingsproducten wordt voor de toepassing van de CBAM-Verordening als een invoer beschouwd (zie artikel 6 van de CBAM-EEZ-Uitvoeringsverordening).
CBAM-goederen die in het douanegebied van de Unie zijn ingevoerd in het kader van de in artikel 256 van het DWU bedoelde regeling actieve veredeling en vervolgens worden wederuitgevoerd (dus zonder dat ze in het vrije verkeer zijn gebracht), zijn bijgevolg aan het CBAM onderworpen wanneer de uit die CBAM-goederen voortkomende veredelingsproducten naar een kunstmatig eiland of een structuur op het continentaal plat of in de EEZ van een lidstaat worden gebracht.
§54. Opgelet: dit geldt zowel voor CBAM-veredelingsproducten die meteen na de toepassing van de regeling actieve veredeling naar het continentaal plat of de EEZ van een lidstaat worden wederuitgevoerd, als in het geval die CBAM-veredelingsproducten vóór hun verzending naar het continentaal plat of de EEZ, eerst nog onder een andere bijzondere douaneregeling worden geplaatst (bijvoorbeeld douane-entrepot, douanevervoer, …).
§55. De persoon die de aangifte tot wederuitvoer voor veredelingsproducten indient of, indien de aangifte tot wederuitvoer wordt ingediend door een indirecte douanevertegenwoordiger (in de zin van de CBAM Verordening) overeenkomstig artikel 18 van het DWU, de persoon voor wiens rekening een dergelijke aangifte wordt ingediend, wordt voor de toepassing van de CBAM-Verordening als importeur beschouwd (zie artikel 5 van de CBAM-EEZ-uitvoeringsverordening).
§56. In tegenstelling tot CBAM-goederen, moet voor CBAM-veredelingsproducten geen aangifte van ontvangst worden ingediend maar de aanzuiveringsafrekening moet bepaalde gegevens vermelden. Dit gebeurt na validatie van de verplichte gewone douaneaangifte voor wederuitvoer (of een equivalent) van de veredelingsproducten die de regeling actieve veredeling aanzuivert.
§57. Wanneer de houder van de vergunning voor actieve veredeling waaruit de CBAM-veredelingsproducten zijn voortgekomen, dezelfde persoon is als de persoon die de aangifte tot wederuitvoer indient of als de persoon voor wiens rekening die aangifte tot wederuitvoer wordt ingediend, vermeldt die persoon in de aanzuiveringsafrekening de volgende gegevens (artikel 7 van de CBAM-EEZ-uitvoeringsverordening):
§58. Deze vermeldingen moeten in de aanzuiveringsafrekening worden opgenomen ongeacht of de de-minimisvrijstelling van artikel 2bis van de CBAM-Verordening van toepassing is of niet. Indien de importeur (inzake CBAM-doeleinden) omwille van die vrijstelling geen CBAM-rekeningnummer heeft, dient hij dit te vermelden. Dit kan aan de hand van de TARIC-code Y137. Hetzelfde geldt voor de andere vrijstellingen waarin de CBAM-reglementering voorziet (voor de TARIC-codes zie bijlage 4).
§59. Importeurs of indirecte douanevertegenwoordigers die gebruik maken van de tijdelijke tolerantie voorzien in artikel 17, 7bis, van de CBAM-Verordening (aanvraag status toegelaten CBAM-aangever ingediend uiterlijk 31 maart 2026 maar verzoek is nog in behandeling bij de bevoegde autoriteit) delen dit via de TARIC-code Y238 mee.
§60. Een kopie van de aanzuiveringsafrekening moet bij de CBAM-aangifte worden gevoegd indien de persoon die de aanzuiveringsafrekening indient dezelfde is als de persoon die de aangifte tot wederuitvoer indient, of als de persoon voor wiens rekening die aangifte tot wederuitvoer wordt ingediend (artikel 10, lid 2, van de CBAM-EEZ-uitvoeringsverordening).
§61. Voor meer algemene informatie over de aanzuiveringsafrekening wordt verwezen naar de Circulaire 2022/C/110 van 01.12.2022 betreffende actieve veredeling.
§62. Indien CBAM-goederen of CBAM-veredelingsproducten, van oorsprong uit een derde land, vanuit het douanegebied van de Unie naar het continentaal plat of de EEZ van een lidstaat worden gebracht, moet, al naargelang het geval:
worden ingediend om deze goederen of producten aan te geven en dit vóór het vertrek van de goederen uit het douanegebied van de Unie naar het continentaal plat of de EEZ.
§63. Voor de naleving van de CBAM-reglementering, moet de aangifte tot wederuitvoer, de kennisgeving van wederuitvoer of de summiere aangifte bij uitgaan, naast de gewoonlijke informatie, ook de volgende vermeldingen bevatten (zie artikel 8 van de CBAM-EEZ-uitvoeringsverordening):
§64. Voor CBAM-veredelingsproducten moet de aangifte tot wederuitvoer in gegevenselement 12 04 000 000 als beoogd in bijlage B, titel II, bij het DWU IA, ook het CBAM-rekeningnummer bevatten van de persoon die de aangifte tot wederuitvoer indient of van de indirecte douanevertegenwoordiger die ermee heeft ingestemd om op te treden als toegelaten CBAM-aangever.
§65. Wanneer CBAM-goederen of veredelingsproducten worden wederuitgevoerd naar het continentaal plat of de EEZ van een lidstaat, moet die bestemming worden geïdentificeerd aan de hand van een TARIC-code. Per lidstaat die over een continentaal plat of EEZ beschikt, werd een afzonderlijke TARIC-code voorzien (zie bijlage 4). Voor het continentaal plat en de EEZ van België is dit Y400.
§66. Daarnaast gelden uiteraard de gewoonlijke verplichtingen die horen bij de indiening van een douaneaangifte. Hierbij wordt, zekerheidshalve, opgemerkt dat wanneer in een gegevenselement moet worden verwezen naar de volle zee (zeegebied buiten de territoriale wateren) - waartoe het continentaal plat of de EEZ behoren - de op te geven landencode in dat geval QP is (GEONOM-code).
§67. In de Europese Unie, is de Europese Commissie, Directoraat-generaal Belastingen en Douane-Unie (DG Taxud), de bevoegde autoriteit voor het CBAM.
§68. In België is de Federale overheidsdienst (FOD) Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, DG Leefmilieu, Dienst Klimaatverandering, team CBAM, de bevoegde nationale autoriteit voor het CBAM (zie de Wet van 14.04.2024 betreffende de instelling van een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie en het Koninklijk Besluit van 20.06.2024 betreffende de aanwijzing van de bevoegde autoriteit en de douaneautoriteit voor de uitvoering van het mechanisme voor koolstofgrenscorrectie).
Vragen m.b.t. de toepassing van de CBAM-regelgeving dienen te worden gericht naar voornoemde overheidsdienst (info.cbam@health.fgov.be).
§69. De CBAM-EEZ-Uitvoeringsverordening geeft aan de douaneautoriteiten de volgende bevoegdheden:
§70. Deze bevoegdheden vormen een aanvulling op de bevoegdheden die de douane reeds bezit krachtens de toepassing van de douaneregelgeving.
§71. De inbreuken op de douanewetgeving die in het kader van de CBAM-verplichtingen worden vastgesteld, kunnen overeenkomstig de bepalingen van de AWDA bestraft worden.
§72. Deze circulaire gaat in op 1 januari 2026.
§73. In bijlage 4 gaat een overzicht van de TARIC-codes die voor het CBAM van belang zijn en die vanaf 1 januari 2026 van kracht zullen zijn.
Voor de Administrateur-generaal van de douane en accijnzen
De Adviseur-generaal,
Nele DERYNCK
---
Interne ref. LNFW 50.021.090