
Ingevolge een indexoverschrijding in december 2025, wijzigt het loonplafond voor de vrijstelling van de werkgeversbijdrage vanaf 1 januari 2026. Voor het deel van het loon onder LC 1 en LC 61 (dus het loon dat rechtstreeks verband houdt met de tijdens het kwartaal geleverde prestaties) dat de loongrens van 86.700,00 EUR/kwartaal overschrijdt, zijn geen werkgeversbijdragen verschuldigd.
Tot op heden werden de bijdragen 825/835 in de werkgeverscategorieën 017/417 enkel geïnd vanaf het kwartaal volgend op het kwartaal waarin de werknemer 23 jaar wordt. Uit recent overleg met het Sociaal Fonds Horeca is gebleken dat een inning voor de min 23-jarigen had moeten gebeuren vanaf het 1stekwartaal 2019 (CAO van 19 december 2018). Dit werd echter niet als dusdanig meegedeeld aan de RSZ.
Concreet zal het RSZ-controleprogramma op korte termijn aangepast worden zodat, met terugwerkende kracht vanaf het 1ste kwartaal 2019, de betrokken bijdragen ook voor min 23-jarigen berekend worden. Het betreft volgende werknemerskengetallen (niet voor leerlingen vanaf 1 januari van het jaar waarin ze 19 worden):
Voor de periode vanaf het 1ste kwartaal 2023 zal de RSZ automatische hercontroles uitvoeren. Voor de periode vanaf het 1ste kwartaal 2019 tot en met het 4de kwartaal 2022 zal de RSZ in een latere fase de te ondernemen acties bepalen.
Als gevolg van het overschrijden van de spilindex tijdens de maanden november 2025 (zeevissers) en december 2025 (gelegenheidsarbeid horeca en met fooien betaalden), wijzigen de betreffende forfaitaire daglonen.
De tabel bevat de dagforfaits die gelden vanaf 1 januari 2026, variërend naargelang de sector, de uitgeoefende functie en de leeftijd van de werknemer op de laatste dag van het kwartaal. De forfaitaire bedragen voor de aangestelden toiletten buiten de horeca ondergaan geen wijzigingen ten opzichte van het 4de kwartaal 2025.
De ministerraad van 19 december 2025 heeft een KB goedgekeurd dat voorziet in een nieuwe indexeringsmethode voor de forfaitaire daglonen in de sector land- en tuinbouw. Vanaf 1 januari 2026zullen deze forfaitaire daglonen, op dezelfde manier als de conventionele sectorlonen, jaarlijks worden geïndexeerd op 1 januari. Daarnaast zullen de dagforfaits ook worden aangepast bij een absolute verhoging van het GGMMI. Dit onder voorbehoud van publicatie in het Belgisch Staatsblad.
Het KB van 8 november 2023, dat aan de basis lag van een aantal verlaagde forfaits (landbouw, fruitteelt en bloementeelt), werd door de Raad van State vernietigd in zijn arrest van 5 januari 2026. De meegedeelde forfaits gelden onder voorbehoud van de publicatie van een nieuw KB dat de basis van de schrapping corrigeert.
Het gebruik van halve dagen voor handarbeiders die als gelegenheidswerknemers in de landbouw worden tewerkgesteld voor activiteiten verbonden aan het fokken van dieren in ondernemingen met als hoofdactiviteit 'veeteelt' (NACE 01.4xx) of 'gemengd bedrijf' (NACE 01.5xx), is vanaf 1 januari 2026 niet meer mogelijk. Het KB van 21 maart 2024 voorzag deze regeling uitsluitend tot en met 31 december 2025.
Ingevolge de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen, is er een aanpassing van de loongrenzen en van de maximale verminderingsbedragen voor de berekening van de werkbonus. Naar aanleiding van deze indexevolutie worden enkele loongrenzen en maximale verminderingsbedragen later opnieuw aangepast met ingang vanaf 1 maart 2026 (zie verder).
Hieronder vindt u in tabelvorm de nieuwe bedragen vanaf 1 januari 2026. De uiteindelijke sociale werkbonus is de som van de 2 componenten.
Bedienden (*)
LUIK A (lage lonen) | LUIK B (zeer lage lonen) | ||
|---|---|---|---|
S (refertemaandloon | R (basisbedrag in EUR) | S (refertemaandloon | R (basisbedrag in EUR) |
≤ 2.833,36 | 123,00 | ≤ 2.218,73 | 165,87 |
> 2.833,36 en ≤ 3.271,48 | 123,00 - ( 0,2807 x (S - 2.833,36)) | > 2.218,73 en ≤ 2.833,36 | 165,87 - ( 0,2699 x (S - 2.218,73)) |
> 3.271,48 | 0,00 | > 2.833,36 | 0,00 |
LUIK A (lage lonen) | LUIK B (zeer lage lonen) | ||
|---|---|---|---|
S (refertemaandloon | R (basisbedrag in EUR) | S (refertemaandloon | R (basisbedrag in EUR) |
≤ 2.833,36 | 132,84 | ≤ 2.218,73 | 179,14 |
> 2.833,36 en ≤ 3.271,48 | 132,84 - ( 0,3032 x (S - 2.833,36)) | > 2.218,73 en ≤ 2.833,36 | 179,14 - ( 0,2915 x (S - 2.218,73)) |
> 3.271,48 | 0,00 | > 2.833,36 | 0,00 |
Hieronder vindt u in tabelvorm de nieuwe bedragen vanaf 1 maart 2026. De uiteindelijke sociale werkbonus is de som van de 2 componenten.
Bedienden (*)
LUIK A (lage lonen) | LUIK B (zeer lage lonen) | ||
|---|---|---|---|
S (refertemaandloon | R (basisbedrag in EUR) | S (refertemaandloon | R (basisbedrag in EUR) |
≤ 2.833,36 | 123,00 | ≤ 2.218,73 | 165,87 |
> 2.833,36 en ≤ 3.336,98 | 123,00 - ( 0,2442 x (S - 2.833,36)) | > 2.218,73 en ≤ 2.833,36 | 165,87 - ( 0,2699 x (S - 2.218,73)) |
> 3.336,98 | 0,00 | > 2.833,36 | 0,00 |
LUIK A (lage lonen) | LUIK B (zeer lage lonen) | ||
|---|---|---|---|
S (refertemaandloon | R (basisbedrag in EUR) | S (refertemaandloon | R (basisbedrag in EUR) |
≤ 2.833,36 | 132,84 | ≤ 2.218,73 | 179,14 |
> 2.833,36 en ≤ 3.336,98 | 132,84 - ( 0,2638 x (S - 2.833,36)) | > 2.218,73 en ≤ 2.833,36 | 179,14 - ( 0,2915 x (S - 2.218,73)) |
> 3.336,98 | 0,00 | > 2.833,36 | 0,00 |
(*) Onder 'Bedienden' moet worden verstaan: de werknemers die moeten worden aangegeven aan 100 %, dus ook bijvoorbeeld arbeiders in de openbare sector.
(**) Onder 'Arbeiders' moet worden verstaan: de werknemers die moeten worden aangegeven aan 108 %, dus ook bijvoorbeeld kunstenaars.
De sociale werkbonus = de vermindering berekend in Luik A + de vermindering berekend in Luik B.
De eventuele aftopping bij een tekort aan werknemersbijdragen gebeurt op Luik B en vervolgens op Luik A.
De RSZ aanvaardt dat het aantal arbeidsdagen voor huisarbeiders berekend wordt op basis van het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen. Als gevolg van de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen, bedraagt het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen 2.154,11 EUR met ingang van 1 januari 2026.
Ingevolge een indexoverschrijding in december 2025, bedraagt vanaf 1 maart 2026 het minimumbedrag van het flexi-uurloon 11,87 EUR en het flexi-vakantiegeld 0,91 EUR per uur (totaal dus 12,78 EUR) voor een flexi-job in de horeca.
Voor alle overige sectoren, met inbegrip van de sector van de gezondheidszorg, zal het basisflexiloon minstens gelijk moeten zijn aan het brutobedrag van het baremieke loon dat van toepassing is voor de uitgeoefende functie. Indien er geen baremiek salaris werd vastgelegd, dan moet het minstens gelijk zijn aan het GGMMI.
Ingevolge het toepassen van een herwaarderingscoëfficiënt, is er met ingang van 1 januari 2026 een aanpassing van de grensbedragen voor de berekening van de maximale inhouding op de aanvullende vergoedingen.
Grensbedragen na toepassing van de herwaarderingscoëfficiënt:
(in EUR) | voltijds, met gezinslast | voltijds, zonder gezinslast | halftijds, met gezinslast | halftijds, zonder gezinslast |
|---|---|---|---|---|
basisbedrag | 1.130,44 | 938,50 | 565,22 | 469,25 |
vanaf 01-11-2023 | 2.142,51 | 1.778,73 | 1.071,26 | 889,36 |
vanaf 01-05-2024 | 2.185,40 | 1.814,34 | 1.092,70 | 907,16 |
vanaf 01-02-2025 | 2.229,06 | 1.850,58 | 1.114,53 | 925,29 |
vanaf 01-01-2026 | 2.235,30 | 1.855,77 | 1.117,65 | 927,88 |
Door een overschrijding van de spilindex in december 2025 worden de grensbedragen vanaf 1 maart 2026 opnieuw aangepast.
Grensbedragen die gelden vanaf 1 maart 2026:
(in EUR) | voltijds, met gezinslast | voltijds, zonder gezinslast | halftijds, met gezinslast | halftijds, zonder gezinslast |
|---|---|---|---|---|
basisbedrag | 1.130,44 | 938,50 | 565,22 | 469,25 |
vanaf 01-03-2026 | 2.279,99 | 1.892,86 | 1.139,99 | 946,42 |
Voor 2026 wordt het maximale dagbedrag voor vrijwilligers 44,02 EUR en het jaarbedrag 1.760,83 EUR (en 3.233,91 EUR voor het verhoogd jaarbedrag).
Als gevolg van een overschrijding van de spilindex in de loop van de maand december 2025, wijzigen een aantal loonplafonds voor de berekening van bijdrageverminderingen. Dit kan ook een impact hebben op sommige overgangsmaatregelen van de geregionaliseerde verminderingen vanaf 1 januari 2026.
Het grensbedrag voor de doelgroepvermindering kunstenaars is ook aangepast.
Aanpassing van de bovenste loongrens van de lagelonencomponent (S0) en de zeerlagelonencomponent (S2) en aanpassing van de ondergrens van de hogelonencomponent (S1) van de structurele vermindering:
Rcategorie 1 = 0,1400 x (11.458,57 – S) + 0,1500 x (9.547,20 - S); (algemene categorie)
Rcategorie 2 = 79,00 + 0,2300 x (9.975,60 – S) + 0,1500 x (9.975,60- S) + 0,0600 x (W - 16.803,98); (categorie sociale maribel)
Rcategorie 3 met loonmatiging = 0,1400 x (12.416,08 – S) + 0,1500 x (9.547,20- S); (categorie erkende beschutte werkplaats, werknemers met loonmatiging)
Rcategorie 3 zonder loonmatiging = 495,00 + 0,1785 x (11.788,30 – S) + 0,1500 x (9.547,20 - S). (categorie erkende beschutte werkplaats, werknemers zonder loonmatiging)
Als gevolg van de overschrijding van de spilindex in de loop van de maand december 2025, wijzigt het maximum bedrag aan vergoedingen voor 'niet-uitzonderlijke' prestaties toegestaan om vrijgesteld te zijn van socialezekerheidsbijdragen. Vanaf 1 januari 2026 bedraagt het maximum 1.804,74 EUR/kwartaal.
Ter herinnering, de vergoedingen voor 'uitzonderlijke' prestaties die de vrijwillige brandweerlieden, de vrijwilligers van de Civiele Bescherming en de vrijwillige ambulanciers uitvoeren bij de organisaties die hen tewerkstellen, zijn altijd vrijgesteld van socialezekerheidsbijdragen, ongeacht het bedrag van de vergoeding.
In de Kamer werd op 18 december 2025 een wet aangenomen tot verlenging van bepaalde maatregelen voorzien in de wet van 20 november 2022 houdende maatregelen aangaande de personeelsschaarste in de zorgsector. Het gaat om de aanmoediging om als gepensioneerde te werken in de zorg door een vrijstelling van de werknemersbijdrage.
Tot het einde van het jaar 2026 zijn gepensioneerden in de zorg geen werknemersbijdragen verschuldigd.
Vanaf 1 januari 2026 stijgt de maximale nominale waarde van maaltijdcheques van 8,00 EUR naar 10,00 EUR, en wordt de maximale tussenkomst van de werkgever verhoogd van 6,91 EUR naar 8,91 EUR (KB van 10 november 2025 – BS van 17 november 2025).
Voor de combinatie van maaltijdcheques en een bedrijfsrestaurant geldt voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2026 dat de kostprijs van een normale maaltijd in het bedrijfsrestaurant niet verhoogt en 6,91 EUR blijft. Vanaf 1 januari 2027 wordt het bedrag opgetrokken tot 8,91 EUR.
Vanaf 1 januari 2026 wordt het forfait ‘baankosten voor niet-sedentaire werknemers: maaltijd’ aangepast van 7,00 EUR/dag naar 9,00 EUR/dag.
Sommige sectoren sluiten voor het eerst een collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) af voor de toekenning van maaltijdcheques en nemen daarin soms expliciet een maximale waarde van de maaltijdcheque op. De sluiting van dergelijke CAO’s kan gevolgen hebben voor bestaande individuele overeenkomsten, met name in ondernemingen zonder syndicale delegatie of voor personeelscategorieën die niet door een CAO worden beoogd.
Door de totstandkoming van een dergelijke sectorale CAO kan het bedrag van de maaltijdcheque zoals vastgelegd in een individuele overeenkomst immers hoger blijken te zijn dan het maximum dat in de CAO wordt bepaald. De beoordeling daarvan hangt af van de concrete bewoordingen van de sectorale CAO die voor de onderneming van toepassing is. Indien de sectorale CAO een maximum oplegt — door bijvoorbeeld een maximale nominale waarde, zichtwaarde, totale waarde of een maximum voor het werkgevers- en werknemersaandeel vast te leggen — dan zal een individuele overeenkomst die dat maximum overschrijdt, strijdig zijn met de CAO.
In dat geval is de individuele overeenkomst niet langer in overeenstemming met artikel 19bis, § 2, 1° van het koninklijk besluit van 28 november 1969. De RSZ raadt de betrokken werkgevers aan om contact op te nemen met de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg (WASO), zodat kan worden nagegaan hoe hun situatie zich verhoudt tot hun sector en zij, indien nodig, passende maatregelen kunnen nemen overeenkomstig artikel 19bis, § 2, 1° van het koninklijk besluit van 28 november 1969.
Op 11 december 2025 werd de 'wet houdende diverse bepalingen' aangenomen in de Kamer. Deze wet is nog niet gepubliceerd maar de goedgekeurde tekst is te consulteren op de website van de Kamer (DOC 56K0963/030). De maatregelen opgenomen in deze wet met betrekking tot de RSZ, zullen toegelicht worden in de administratieve instructies van het 1ste kwartaal 2026. Het gaat onder andere om volgende maatregelen:
Met ingang van 1 januari 2025 worden retroactief wijzigingen doorgevoerd in het fiscale stelsel voor buitenlandse kaderleden en onderzoekers (art.15 e.v.).
De nieuwe regeling voorziet in de volgende aanpassingen:
Het Koninklijk Besluit van 28 november 1969 wordt niet aangepast. Daardoor blijven voor de RSZ vanaf 1 januari 2025 de fiscale regels van toepassing zoals die golden op 1 januari 2022.
Het jaarlijkse fiscaal plafond dat ingesteld werd op 12.000,00 EUR op inkomsten uit flexi-jobs, wordt verhoogd naar 18.000,00 EUR. Deze verhoging wordt retroactief ingesteld vanaf 2025.
Voor het gedeelte boven dit bedrag is er geen fiscale vrijstelling. Een overschrijding heeft echter geen impact op het statuut als flexi wat de RSZ betreft. Het is niet mogelijk om retroactief een flexi-overeenkomst aan te gaan.
Jongeren vanaf 15 jaar die nog onderworpen zijn aan de voltijdse leerplicht, kunnen onder bepaalde voorwaarden (lichte) arbeid onder arbeidsovereenkomst uitvoeren. Een doorverwijzing naar de voorwaarden zal ingevoegd worden als de betreffende wetgeving gepubliceerd is en een overzicht beschikbaar is bij de FOD WASO. In een koninklijk besluit zal ook verder gespecifieerd worden welke activiteiten in aanmerking komen.
De maximale kilometervergoeding voor de woon-werkverplaatsingen en beroepsverplaatsingen bedraagt 0,4326 EUR/km vanaf 1 januari 2026 tot en met 31 maart 2026 (omzendbrief nr. 762, BS van 15 december 2025).
De RSZ zal met betrekking tot de forfaitaire terugbetaling van de kosten voor buitenlandse dienstreizen de voorwaarden toepassen die opgenomen zijn in de fiscale circulaire 2025/C/70 van 27 oktober 2025. Hij zal dus met ingang van 1 januari 2025 aanvaarden dat de werkgever een dagvergoeding toekent voor dienstreizen met heen- en terugreis op dezelfde dag, ook als die dienstreizen minder dan 10 uur duren. Voor de dagen van vertrek en terugkeer voor een meerdaagse dienstreis kan de werkgever met ingang van 1 januari 2025 de volledige dagvergoeding toekennen in plaats van de vergoeding aan 50%.
Als de werknemer de kost voor zijn middagmaal en/of avondmaal zelf niet moet dragen (bijvoorbeeld als de werkgever de kost voor die maaltijden op zich neemt, als de werknemer gratis een maaltijd geniet bij een klant of leverancier,…) moet de dagvergoeding verminderd worden met 35% voor het middagmaal en/of 45% voor het avondmaal.